De eieren van koekoekswevers (binnenste cirkel) kunnen het kleurpalet van eitjes van hun gastheer nauwelijks bijbenen.

 

 

Koekoekswevers regelen ei-uiterlijk via de moederlijn, blijkt uit genetisch onderzoek. Dat leek gunstig, maar levert nu problemen op.

 

Het vermogen om hun eitjes te laten lijken op de exemplaren in het gastgezin waarbij ze die dumpen, erven koekoekswevers (Anomalospiza imberbis) telkens van hun moeder (PNAS, 11 april). Op die manier voorkomen ze dat vaders, die mogelijk in een nest van een andere gastheersoort zijn opgegroeid, met hun genetische inbreng het strak afgestelde ei-uiterlijk verstoren. Het betekent alleen ook dat de koekoekswever de evolutionaire wapenwedloop met die gastheersoorten dreigt te verliezen.

 

Vogels die opgezadeld worden met een koekoeksweverei passen namelijk op hoog tempo het uiterlijk van hun eigen eieren aan, om ze te kunnen onderscheiden van de ongewenste exemplaren van koekoekswevers. Door recombinatie van vader- en moedergenen kan Prinia subflava nu bijvoorbeeld een palet van blauwe, witte, rode en olijfgroene eitjes inclusief verschillende patronen produceren. Zulke fenotypische diversiteit is lastig bij te benen door de koekoekswever, die het met enkel genen van de moederkant moet doen. Zo zit olijfgroen vooralsnog niet in zijn repertoire.

 

De moederlijn-overerving bij koekoekswevers komt naar voren bij genetisch onderzoek in monsters uit 141 nestjes met koekoekswevereieren, verzameld in Zambia. Vermoedelijk liggen de genen voor ei-uiterlijk op het vrouwspecifieke W-chromosoom. Hoewel de evolutionaire wapenwedloop slecht lijkt uit te pakken voor de koekoekswever, kunnen ze zich wellicht nog richten op jonge, onervaren vogels, of op geheel nieuwe gastheersoorten.