Bionieuws

Plant & Dier

Bijna helft inheemse mieren bedreigd

Wanneer exotische mieren de natuurgebieden in Nederland weten te bereiken, zijn soorten met een gering aantal kolonies, zoals dit mergeldraaigatje, in groot gevaar. Foto: Theodoor Heijerman

Mieren zitten in de knel. Exoten, klimaatverandering en biotoopverlies zijn slechts enkele van de oorzaken.

Het gaat niet goed met de Nederlandse mieren. Van de 68 inheemse soorten zijn er 28 in meer of mindere mate bedreigd. Biotoopverlies, versnippering, verdroging, verzuring en vermesting, plus een bij vele soorten slecht kolonisatievermogen zijn de belangrijkste redenen. Bovendien vormen voor een aantal inheemse soorten de – tot nu toe – vier exotische mieren die buiten kunnen overleven een potentieel maar reëel gevaar. Dat blijkt uit de door EIS Kenniscentrum Insecten uitgebrachte Ecologische atlas van Nederlandse mieren.

Bergrenmier
De uitgave wordt op 17 maart gepresenteerd en bevat voor de inheemse mierenfauna een uitgebreide actualisering van een eerdere atlas uit 2004. Voor het eerst in de geschiedenis zijn ook de in Nederland voorkomende exotische mierensoorten in kaart gebracht. Sinds 2004 zijn er negen nieuwe inheemse mierensoorten gevonden. De laatste is de bergrenmier Formica lemani, aangetroffen in het uiterste zuiden van Limburg in de Vijlenerbossen. Ook de steppemier Lasius (Chthonolasius) distinguendus is een relatief nieuwe vondst; de Kutters gaststeekmier Myrmica bibikoffi werd in 2002 voor het eerst gesignaleerd. De uitbreiding van het soortenspectrum betekent volgens André van Loon, mierenspecialist van EIS, allerminst dat het alle mieren voor de wind gaat. Van de 28 zijn er negen kwetsbaar, tien bedreigd en negen met uitsterven bedreigd. De langhaarmier Lasius citrinus is hier uitgestorven. Het dier was al zeer zeldzaam.

Zwarte reuzemieren handhaven zich in Nederlands, maar de gewone reuzemier is nog maar op drie plaatsen te vinden. Foto: Theodoor Heijerman, EIS Nederland.

De ‘zwaarste categorie’, de met uitsterven bedreigde soorten, lijden onder alle genoemde factoren en komen ook nog eens slechts op een paar plaatsen voor. Zo is de gewone reuzemier Camponotus herculeanus tegenwoordig uitsluitend nog op drie plekken in Drenthe, Overijssel en de Veluwezoom te vinden.

Gedragscode
De nieuwe Natuurbeschermingswet maakt de positie van de kwetsbare, bedreigde en met uitsterven bedreigde mieren er niet beter op. Geen enkele mier geniet wettelijke bescherming meer. De bosmieren (onder de vorige wet nog wel enigszins beschermd) zijn inmiddels wel opgenomen in de Gedragscode Bosbeheer, waar terreinbeheerders die zich daarachter scharen zich aan moeten houden. De gedragscode biedt maar zeer beperkte bescherming; lang niet alle terreinbeheerders onderschrijven deze.


Ze kruipen in elektriciteits-
kasten of stopcontacten
met het gevaar voor
kortsluiting tot gevolg

Veel mierensoorten zitten nu al in de knel en daar kan op termijn het gevaar van de exotische mieren bij komen. De vier exoten die zich buiten weten te handhaven, vormen daar nog geen gevaar en leveren in de menselijke omgeving waar ze nu voorkomen slechts overlast. Zo heeft de Atlantische dwergschubmier Plagiolepis schmitzii delen van Tholen, Utrecht en Brakel ‘volledig overgenomen’ en lopen de mieren soms zelfs door de medicijnkastjes en in de koelkast. Her en der komen enorme nesten van mediterrane draaigatjes Tapinoma nigerrimum s.l. voor. De larven daarvan hebben vlees nodig; hondenbrokken komen daarvoor heel goed in aanmerking. Plaagmieren Lasius neglectus zijn echte plagers. Ze ondergraven trottoirs, verdrijven andere stadsmieren en houden om onduidelijke redenen ook van elektromagnetische velden. Ze kruipen in elektriciteitskasten of stopcontacten met het gevaar voor kortsluiting tot gevolg. Het ‘echte’ gevaar loert buiten.

Uitsterven
De vier hebben de natuurgebieden nog niet weten te bereiken, maar als dat gebeurt zijn inheemse soorten met een zeer gering aantal kolonies in groot gevaar. ‘Uitsterven is dan echt reëel’, spreekt Van Loon bezorgd. Hij geeft een paar voorbeelden. Het mergeldraaigatje Tapinoma erraticum – vooral voorkomend in de Limburgse kalkgraslanden – of de duinsteekmier Myrmica specioides en stengelslankmier Temnothorax albipennis – soorten van schaars begroeide duinen.
Het exotisch gevaar, niet acuut maar wel degelijk aanwezig, kan nog vergroot worden door de aanhoudende klimaatverandering. Veel exoten zijn immers afkomstig uit warme landen. Natuurgebieden direct bij dorp of stad zijn het kwetsbaarst. De mieren kunnen deze immers lopend bereiken.

Monitoren
Maar ook andere natuurgebieden ontkomen misschien niet aan de exoten. Want hoewel de huidige Nederlandse buiten-exoten zich vaak vooral lopend verspreiden, kunnen exoten die wel bruidsvluchten houden zich door de wind over grotere afstanden laten verspreiden. Of ze komen in de natuurgebieden terecht via gestort tuinafval. Bovendien hebben insecten door hun korte generatietijd en daarmee snelle evolutie een enorm aanpassingsvermogen. Van Loon: ‘Alle hindernissen op weg van de stad naar de natuur overwinnen ze wel.’ De remedie is voor de mierenspecialist duidelijk: goed monitoren en zodra er een exoot buiten wordt ontdekt meteen en gecoördineerd bestrijden, oftewel doden. ‘Heeft een exoot zich eenmaal gevestigd, dan krijg je hem nooit meer weg. Zwarte scenario’s kunnen dan zomaar bewaarheid worden.’

De Ecologische atlas van Nederlandse mieren is te bestellen bij EIS Kenniscentrum Insecten

Dit artikel verscheen in Bionieuws 5 van 10 maart 2018.