De grote boodschap

Deel

Sinds kort wonen we in een hoogbejaard boerderijtje. Voorheen woonde er een gepensioneerde tuinarchitect. In de schuur lagen allerlei soorten kunstmest en een complete verzameling vergif, tegen insecten, slakken, onkruid, schimmels… Er lag zelfs DDT. We brachten alles naar de stort en begonnen aan het herstel van de tuin, te beginnen met de bodem: kalk en compost.

De bodem is in groene kringen helemaal in. De laatste jaren is regeneratieve landbouw populair. De blijde boodschap daarvan luidt: laat als boer de bodem beter achter dan dat je hem aantrof. Dat kan, door gewasdiversificatie, ruige koemest, compost, niet ploegen en het na de oogst laten staan van de stoppels. Dan leggen de gewassen kooldioxide vast in de bodem, goed tegen klimaatverandering! Het is bijna hetzelfde als kringlooplandbouw, natuurinclusieve landbouw en hoe het ook genoemd wordt. De film Kiss the ground (2020) gaat erover, en is nogal bejubeld. Ik ben minder onder de indruk. Veel pratende hoofden… En het is oude wijn met een nieuwe naam. Nu is er niets mis met oude wijn en de uitputting van landbouwgronden kan niet genoeg bestreden worden. In de film worden de miljarden overheidssteun aan de intensieve, bodem uitputtende landbouw kort genoemd. Ook een andere belemmering blijft onaangeroerd: voor blijvende bodemverbetering is gecomposteerde poep nodig. Ruige mest is er te weinig. Drijfmest uit de intensieve veehouderij is er juist te veel: drijfmest bevat vooral stikstof en daar is de bodem al van verzadigd. Mest uitrijden zorgt voor ammoniakvervuiling en het injecteren vernielt de bodem. Bovendien put onze veestapel de bodem juist uit in een enorm gebied in binnen- en vooral buitenland, waar veevoer wordt geteeld. We voeren dat veevoer in, voeren vlees uit, en schepen onszelf op met onbruikbare pies en stront.

Zonder grote boodschap komt er niets van de blijde boodschap

In een regeneratieve landbouw is mensenpoep nodig. Want wat we met ons allen ook eten, het komt grotendeels uit de grond, terwijl we onze uitwerpselen afvoeren naar zee. In Nederland halen we weliswaar het slib eruit in zuiveringsinstallaties, waarna compostering uitblijft, al was het maar vanwege mogelijke vervuilingen erin. De poep komt dus niet terug in de grond, terwijl dat voorwaarde is voor bodemherstel.

Daarom zijn er tientallen jaren geleden composttoiletten uitgevonden. Voor mijn verhuizing had ik er een. De poep belandde als een compacte klont bij het groenafval. Zelf poep composteren is verboden, krachtens een wet uit de negentiende eeuw. Men gebruikte poep toen ongecomposteerd op de moestuin, en daar kreeg men wormen van. Maar tijdens volledige compostering broeien die dood. Onze poep via de gft-bak naar een compostfabriek; dat zou goed zijn.

Poep mag nodig zijn, maar is een taboe-onderwerp, en Kiss the ground draait om de brij heen; behoudens een zijstapje naar Oeganda. Daar vertellen witte ontwikkelingswerkers dat de mensen hun poep moeten bewaren. De mensen lachen ongemakkelijk; dat gaat ‘m niet worden. Intussen spoelen wij westerlingen zo’n 130 gram ontlasting per persoon per dag door (vierduizend kilo in een leven). In ons boerderijtjeshuis produceren we met ons tweeën ruim 1,8 kilo per week; dat zou prima in de gft-bak passen. Want zonder grote boodschap komt er niets van de blijde boodschap.

Koos Dijksterhuis beschrijft dagelijks natuurobservaties in Trouw, en schrijft boeken en vormvaste verzen op rijm.

Lees nu ook