Het intelligent design van de paardenbloem

Deel

Die goeie ouwe paardenbloem toch. Ooit stak en trok ik ze uit het gras, hoewel ik daar pinksterbloemen, boterbloemen en ratelaars in toejuichte. Ik herinner me een bezoek aan een intensieve veehouder, die naar zijn platgewalste, overbemeste raaigraslanden wees, en retorisch vroeg: ‘mooi toch?’ Tja, een oranje glyfosaatveld is ook mooi. Maar de weilanden van die veehouder waren geel bespikkeld met paardenbloemen. Die waren nog enigszins bestand tegen fosfaten en nitraten. Een weiland met paardenbloemen was het toppunt van intensieve veehouderij. Dat was 25 jaar geleden. Maar de paardenbloemen verdwenen uit de meeste weilanden en nu is gele bespikkeling een teken van extensieve landbouw, hobby-paardenhouderij of weidevogelbeheer. Maar zelfs in grazige natuurreservaten zie ik niet veel paardenbloemen meer.

Volgens paardenbloemenexpert Karst Meijer stonden er in zo’n geel bespikkelde weide algauw zestig verschillende soorten paardenbloemen. Van die weidepaardenbloemen bestaan er waarschijnlijk wel 250 soorten. En dat is dan nog maar een kwart van het totaal van de naar schatting ruim duizend paardenbloemsoorten in Nederland. Er kunnen er al veel uitgestorven zijn, want de meeste houden niet van drijfmest. Ze houden juist van schrale of kalkrijke bodem en schuwen stikstof.

In plantenboeken staat dat in Nederland zo’n vijftienhonderd bloeiende wilde planten voorkomen. Dan worden de paardenbloemen als hooguit tien meegeteld. Ooit brachten botanici als Johannes Leendert van Soest en Piet Oosterveld ’s lands paardenbloemen onder in tien secties. Onder die secties werden tientallen zogenoemde microsoorten geschaard. Microsoorten kruisen onderling nooit; ze vermenigvuldigen zich ongeslachtelijk. Het zijn klonen van hun voorouders en ze zijn genetisch identiek aan elkaar. Karst Meijer en Erik van den Ham verbeterden de paardenbloemen-classificatie. Afgelopen zondag presenteerden zij op de Dag van de Paardenbloem hun prachtige, nieuwe veldgids. Heerlijke kost voor de gevorderde botanicus. In Zuid-Europa zijn nog veel paardenbloemen die zich geslachtelijk voortplanten, en die diploïde soorten komen voor tot in Nederland. Uit seksuele paardenbloemen is waarschijnlijk de waaier van microsoorten ontstaan. Ongeslachtelijke voortplanting kan snel gaan. In plaats van slechts de vrouwelijke helft, kan de hele populatie voor nageslacht zorgen.


Zelfs in grazige natuurreservaten zie ik niet veel paardenbloemen meer

Daar staat tegenover dat klonering de planten kwetsbaar maakt voor veranderingen in de omgeving, en voor ziekteverwekkers. Daarom is waarschijnlijk ooit een tweede geslacht ontstaan – het vermengen van genetisch materiaal zorgt voor variatie binnen de soort, wat aanpassing aan de omgeving gemakkelijker maakt en ziekteverwekkers buiten de deur houdt.

Dat er vervolgens uit geslachtelijke voortplanting toch weer klonering ontstaat, is dan ook opmerkelijk. Bij bramen, sommige grassen en havikskruiden komt het eveneens voor. Maar zolang klonering naast geslachtelijke voortplanting bestaat, kunnen paardenbloemen zich razendsnel vermenigvuldigen, terwijl de geslachtelijke bloemen een soort veiligheidsback-up vormen. Het beste van twee kanten: als dat geen intelligent design is!

Respect voor de paardenbloem dus. Wees blij met de bloemen die we nog hebben. Ik trek ze niet meer uit. Er zijn trouwens geen planten waarop zoveel insecten zijn gezien. Bijen, hommels, vliegen en vlinders; allemaal zijn ze gek op de nectar en de meeste ook op het stuifmeel van paardenbloemen. Zangvogels eten hun zaadjes en zoogdieren, waaronder konijnen, paarden en mensen, het blad.

Koos Dijksterhuis beschrijft dagelijks natuurobservaties in Trouw , en schrijft boeken en vormvaste verzen op rijm.

Lees nu ook