
Nieuw onderzoek naar de bewegingspatronen van wilde leeuwen en gevlekte hyena’s wijst uit dat mannelijke leeuwen de neiging hebben hyena’s proactief op te sporen. ‘Dat hyena’s leeuwentroepen zouden volgen, is een hardnekkige mythe.’
Voor velen is het een herkenbaar beeld: de leeuw – de koning der dieren! – struint over de savanne, in zijn kielzog gevolgd door een groep hongerige hyena’s die hoopt mee te kunnen pikken van een aangevreten zebra- of gnoekarkas.
Een internationaal onderzoeksteam komt nu met bewijs dat het tegendeel waar is: het zijn juist leeuwen – en dan met name de mannen – die de toenadering zoeken tot gevlekte hyena’s. Die proberen op hun beurt juist deze grote Afrikaanse katachtigen te ontlopen, zo schrijven de onderzoekers in Frontiers in Ethology van 9 september.
‘Het idee dat hyena’s enkel aaseters zijn die de prooien stelen van leeuwen is een misconceptie waarvan al jaren bekend is dat deze niet klopt – hyena’s doden zelf ook vaak prooien’, zegt leeuwenonderzoeker Hans de Iongh, zelf niet betrokken bij het onderzoek. De gasthoogleraar aan de Universiteit Leiden en Antwerpen is blij dat de nieuwe studie deze mythe ontkracht. ‘Men schildert hyena’s vaak nog af als akelige aaseters, terwijl de leeuw dan de ‘koning van de jungle’ zou zijn. Dit soort stereotype beelden lijken met name hardnekkig in de westerse wereld.’
Gps-halsbanden
De onderzoekers volgden zeventien leeuwen (Panthera leo) en veertien gevlekte hyena’s (Crocuta crocuta) met gps-banden in het savannegebied Nationaal Park Etosha in Namibië en het moerassige Chobe-Linyantisysteem in Botswana. Tijdens de actieve schemeruren van beide soorten ontvingen de onderzoekers elke vijf minuten exacte locaties van elk gezenderd individu. Als twee dieren in de buurt van elkaar werden gespot, onderzochten de biologen een simpele vraag: lopen de dieren naar elkaar toe, van elkaar af, of parallel aan elkaar?
Uit statistische analyses komt naar voren dat vrijwel alle hyena’s de neiging hadden leeuwen uit de weg te gaan. Mannetjesleeuwen leken daarentegen juist de hyenagroepen proactief te naderen. In een enkel geval bevestigden de biologen dit bedrag ook tijdens een veldobservatie, waarbij de onderzoekers waarnamen hoe een mannelijke leeuw gedurende een nacht actief hyena’s volgde. Leeuwinnen bleken minder snel bereid tot zulk volggedrag, en reageerden anders op naburige hyena’s afhankelijk van welke troepgenoten aanwezig waren.
Om te verzekeren dat elk gezenderd dier een unieke leeuwentroep of hyenaclan vertegenwoordigde, deden de onderzoekers voorafgaand aan het zenderen uitgebreide veldobservaties. Zo stelden ze per groep vast welke dieren het hoogst op de sociale ladder stonden, en daarmee de kleinste kans hadden van de groep af te dwalen.

Gewaagde aanname
De Iongh is onder de indruk van de schaal van het bewegingspatronenonderzoek. ‘Het is een behoorlijke logistieke operatie om zoveel dieren te zenderen, dat maakt dit onderzoek ook echt uniek. Naar mijn weten is er geen andere studie die op zo’n grote schaal leeuwen en hyena’s heeft gevolgd.’ Wel merkt hij op dat het een gewaagde aanname is dat een enkel gezenderd individu als benadering voor een hele groep kan worden gebruikt. ‘Zowel leeuwentroepen als hyenaclans zijn sociale verbanden die continu uit elkaar vallen en samenvoegen. Deze aanname had naar mijn mening beter bediscussieerd mogen worden.’
Ook waarschuwt de hoogleraar voor het doortrekken van de resultaten naar andere leeuwen- en hyenapopulaties in Afrika. ‘Eerder onderzoek heeft al laten zien dat het gedrag van deze dieren sterk kan verschillen afhankelijk van de grootte en samenstelling van groepen.’ Zo bleek uit een studie in Journal of Animal Ecology (2002) dat zowel de aanwezigheid van mannetjesleeuwen in een troep als de grootte van een hyenaclan een sterke invloed heeft op welk van de twee soorten een gevangen prooi van de ander kan afpakken – en dus mogelijkerwijs beïnvloedt welke soort de ander volgt. ‘Verder zijn er ook grote verschillen tussen leeuwen in Oost- en zuidelijk Afrika en leeuwen in West- en Centraal-Afrika – dit zijn zelfs twee aparte ondersoorten’, zegt De Iongh.
