Hoe erg zijn natuurbranden?

Deel

Foto: anagh, CC BY 2.0

Natuurbranden domineerden het nieuws in de zomer. Hoe erg is het dat bossen, heide en hoogveen in vlammen opgaan?


Zijn er tegenwoordig meer natuurbranden?

‘In Nederland was er jarenlang een dalende trend’, zegt emeritus hoogleraar bosecologie en bosbeheer Frits Mohren van Wageningen University. ‘Bovendien was het bosbrandseizoen altijd in maart en april.’ Zodra de natuur groen kleurde, nam het risico op branden af. Door de droge en warme zomers van nu ligt er meer brandbaar materiaal op de bodem in de natuur waardoor de kans op brand toeneemt. ‘Die droogte en warmte komen door klimaatverandering.’


Is de natuur verloren gegaan na een brand?

‘Wat verloren gaat, is de waarde die we er zelf aan toedichten’, stelt Mohren. Het bos zoals we dat kennen en waar mensen op zondag de hond uitlaten, wordt zwart in plaats van groen en dat vindt men jammer. ‘Dat wat we waarderen, verandert zonder dat we er controle over hebben. Alsof ons iets wordt afgepakt. Maar de natuur gaat niet verloren. Die is er ook zonder ons.’


Na een grote verstoring, zoals een brand, wordt de klok even teruggezet waarna er iets nieuws kan ontwikkelen. ‘Je krijgt niet meteen het systeem dat je had.’ Het duurt, in verhouding tot een mensenleven, erg lang voordat een gebied met bijvoorbeeld hoogveen of een jeneverstruweel weer tot ontwikkeling komt. Dat vinden mensen lastig te verteren.


Is elke natuurbrand even erg?

Van de duizenden hectaren dennenbos die in vlammen opgingen in de omgeving van Bordeaux kan Mohren niet wakker liggen. Het is haast een monocultuur van zeedennen, aangeplant voor houtproductie. Smeulend hoogveen en afgebrand jeneverstruweel is een ander verhaal. Van zulke gebieden is nog maar heel weinig over. Omdat men vergelijkbare landschappen elders al ontgonnen heeft. ‘Als we er meer van hadden, dan was het ook niet zo erg als er een deel afbrandt.’


Wat over is, moeten we koesteren, vindt Mohren. ‘Versnippering is een veel belangrijker probleem’, benadrukt hij. ‘En stikstof veroorzaakt de meeste schade aan biodiversiteit. Maar de aandacht gaat naar brand, want dat is een acute verstoring.’ Dat geldt nog sterker wanneer de vlammen campings, buitenwijken of het Kröller-Müller Museum bedreigen.


Moet het natuurbeheer anders om grote branden te voorkomen?

‘Vroeger werden verstoringen zo veel mogelijk uitgesloten in het bos- en natuurbeheer’, herinnert Mohren zich. ‘Tegenwoordig krijgt de natuur meer ruimte voor spontane ontwikkelingen.’ Dat geeft meer dynamiek en dat is goed, vindt Mohren. Zo is hij te spreken over het laten liggen van dood hout, dat bijdraagt aan biodiversiteit. ‘Maar daardoor ligt er wel meer brandstof.’ Het is een discussiepunt geworden.


Ook een andere trend, om oude wegen dicht te laten groeien zodat gebieden meer verbonden zijn, heeft een nadeel: op de onbegroeide paden was geen brandstof te vinden zodat grondvuur werd tegengehouden. ‘Er gaan stemmen op om weer brandgangen aan te leggen.’ Een strook omgewoelde grond kan een brand begrenzen. Maar het is ook een kunstmatige ingreep.


Kleine gebieden gecontroleerd afbranden, is dat een goed idee?

Dat gebeurde vroeger wel met heide, sommige militaire oefenterreinen doen het nog, vertelt Mohren. ‘Daar kan het omdat ze een goede eigen brandweer hebben en het vuur kunnen controleren.’ Zelf ziet hij vooral nog verbeterpunten in het bestrijden van natuurbranden. De brandweer blust het vuur zoals ze een brand in de stad aanpakken: met water.


Maar misschien is de stadse methode niet de meest geschikte strategie voor een natuurbrand. ‘Je kunt ook met bulldozers een stuk bos omver duwen. Door in een strook al het brandbare materiaal weg te halen, kun je zorgen dat het vuur stopt.’ En, zo voegt Mohren toe, we moeten ermee leren leven dat er onverwachte dingen gebeuren. ‘Dat vinden we vaak lastig.’

Lees nu ook