
Hommels koelen tijdens het zweven actief af met hun eigen vleugelslag. De neerwaartse luchtstroom die zij zelf opwekken, is essentieel om oververhitting te voorkomen. Zonder die zelfgeïnduceerde luchtstroom zouden zwevende hommels onder uiteenlopende omstandigheden binnen anderhalve minuut oververhit raken, melden onderzoekers in Proceedings of the Royal Society B van 18 februari.
De onderzoekers maten bij vrij zwevende werksters van Bombus impatiens de vleugelslag en de snelheid van de opgewekte luchtstroom. Die varieerde van 0,19 tot 1,22 meter per seconde, met een gemiddelde van 0,53 meter per seconde. In een verticale windtunnel bepaalden zij vervolgens hoeveel warmte zulke luchtstromen via convectie – warmteverlies door luchtverplaatsing – kunnen afvoeren, en verwerkten die gegevens in warmtemodellen.
In simulaties stabiliseerde bij 25 graden Celsius de lichaamstemperatuur van zowel kleine als grote hommels binnen het functionele vluchtbereik van 28 tot 42 graden Celsius. Wanneer de bijdrage van de eigen luchtstroom uit het model werd weggelaten, raakten alle gesimuleerde hommels binnen anderhalve minuut oververhit.
