
Tuinslakken kunnen wel vijf verschillende soorten slijm aanmaken, elk met een eigen functie. Onderzoekers hebben nu uitgeplozen hoe deze dieren kunnen wisselen tussen glibberend, plakkend, bubbelend en ander slijm. Calcium blijkt daarbij een voorheen onbekende hoofdrol te spelen.
Slakken kun je in tal van toestanden aantreffen in de achtertuin: al voortglijdend met een glimmend slakkenspoor in hun kielzog, vastgekoekt tegen je schutting en in het najaar hermetisch afgesloten met een dikke plak voor de opening. Dat de slak voor elk trucje een aparte slijmvariant toepast, was al bekend onder biologen – maar nog niet hóé het weekdier zo makkelijk switcht tussen de verschillende substanties.
Biochemici van het Duitse Max Planck Instituut hebben nu voor eens en altijd het moleculaire recept voor elk slijmtype uitgezocht. Wat blijkt? Elk slijm bestaat uit een vergelijkbaar eiwitprofiel, maar door te variëren met de collageen- en calciumconcentraties kan de slak de materiaaleigenschappen – en dus de functie – nauwkeurig bijstellen.
Voor de studie, die 6 augustus verscheen in Science, verzamelden de onderzoekers slijm van de zwartgerande tuinslak (Cepaea nemoralis), de meest voorkomende slak in Europa. Het slakkenspoor konden ze eenvoudig uit het terrarium oplepelen, maar de twee soorten verdedigingsslijm waren minder makkelijk te bemachtigen: daarvoor moesten ze de slakken voorzichtig porren met een metalen spateltje. Het verkregen slijm analyseerden de wetenschappers vervolgens met behulp van immunokleuringen en meerdere (elektronen)microscopische technieken.
Bubbelend slijm
In de vloeibare slijmsoorten, zoals het ‘glijslijm’ in een slakkenspoor of een bubbelend slijm dat het dier als afweermechanisme gebruikt, fungeren calciumionen als een bron van geladen deeltjes. Die verbinden verschillende biomoleculen aan elkaar tot een netwerk van lange eiwitdraden, zodat het slijm niet gelijk uit elkaar vloeit. Naast het bubbelslijm maken de slakken ook een defensief geel slijm aan. Dit goedje heeft een haast tienmaal hoger eiwitgehalte dan de andere slijmsoorten, waardoor deze extra taai en elastisch is.
Hardere slijmvarianten bevatten daarentegen voornamelijk calcium in mineraalvorm. Die kristallen houden zowel het afsluitplaatje van het huisje als het plakslijm waarmee ze zich vasthechten goed solide, zodat er geen ongewenste gasten zullen binnendringen.
Instabiele vorm
De wetenschappers ontdekten ook dat de tuinslak het calcium kan doseren via de slijmklieren, waar het ligt opgeslagen in de vorm van amorf calciumcarbonaat. Deze normaal zeer instabiele vorm van calcium weet de slak in bedwang te houden met behulp van een speciale groep fosforhoudende eiwitten. Met subtiele veranderingen in zuurtegraad en zoutconcentratie kan het dier deze eiwitten beïnvloeden, om zo gecontroleerd calciumionen vrij te geven tijdens de slijmproductie.

