Misselijke zeereptielen zwommen naar de kust om te braken

Deel

Impressie van twee Plesiosaurus dolichodeirus-individuen. De afgebeelde soort behoort niet tot de familie van Cryptoclididae en staat los van de beschreven studie. Illustratie: Dmitry Bogdanov

Om schelpen en andere onverteerbare bestanddelen van hun op zee vergaarde maaltijden uit te braken, zwommen plesiosauriërs rivierdelta’s in.


Plesiosauriërs aten schelpdieren van de bodem in dieper water, alvorens naar de kust te zwemmen om de harde, onverteerbare delen van dit zeebanket uit te braken. Dat concludeert paleontoloog Dirk Knaust in Geological Magazine (22 september), op basis van gedetailleerde analyses van ruim twintig klompen gefossiliseerd braaksel. De prehistorische zeereptielen konden schelpen en ander skeletmateriaal waarschijnlijk niet met hun tanden fijnmalen; in plaats daarvan persten deze resten zich in de maag samen en spuugde de plesiosauriër ze als een braakbal uit.


Knaust identificeerde de gefossiliseerde overblijfselen in wat ooit de ondiepe wateren van een rivierdelta waren, zo’n vijftig kilometer uit de Noorse kust. Op basis van de onregelmatige vorm en kenmerkende mineralogie van de klompen leidde de paleontoloog af dat het om braaksel en niet om uitwerpselen moest gaan. Opmerkelijk genoeg trof hij in de brokken de resten aan van onder meer tweekleppigen en zeelelies: diersoorten die afhankelijk zijn van een stabiel zoutwatermilieu. In de rivierdelta, waar zoetwatertoevoer ervoor zorgde dat de zoutgehaltes continu behoorlijk fluctueerden, zouden deze gevoelige prooidieren onmogelijk hebben kunnen overleven. De dieren die verantwoordelijk zijn voor de uitgespuwde resten, moeten het voedsel dus elders hebben vergaard.


Foto van een boorkern met 160 miljoen jaar oud delta-zand, met daarin een klomp schelpen en plantenresten die de studie interpreteert als braaksel van een plesiosauriër. Beeld: Dirk Knaust


Het was niet direct duidelijk tot welke diersoort de brakers behoorden; een uitgebreide vergelijkende analyse volgde. Het roofdier moest groot genoeg zijn geweest om de klompen, die in grootte variëren van een walnoot tot een mango, uit te kunnen spugen. Daarnaast bevatte geen van de braakselbrokken visresten, waardoor Knaust haaien en krokodillen – die destijds ook volop in het gebied voorkwamen, maar vooral vis op het menu hadden staan – kon afstrepen. Uiteindelijk komt de paleontoloog uit bij de Cryptoclididae: een familie van plesiosauriërs die leefde van het Midden-Jura tot het Vroeg-Krijt, al kan Knaust hybodonte haaien niet volledig uitsluiten. Hun omvang en voedingspatroon maakt deze dieren de meest waarschijnlijke kandidaat.


Hoewel er het afgelopen decennium veel onderzoek is gedaan naar gefossiliseerd braaksel, is dit de eerste keer dat zulke braakballen aan plesiosauriërs worden toegeschreven. Knaust verklaart dat de Cryptoclididae wellicht dicht bij de kust kwamen om uit te rusten. Waarschijnlijk braakten ze op dat moment hun maaginhoud uit, vergelijkbaar met het gedrag dat pelsrobben en zeekrokodillen vandaag de dag vertonen.


In een vorige versie van dit artikel werden plesiosauriërs in de kop ten onrechte ‘zeedino’s’ genoemd en werd gesproken van ‘dinosauruskots’. Plesiosauriërs waren geen dinosauriërs, maar zeereptielen die in dezelfde periode leefden. De tekst is daarop aangepast. Excuses voor deze onzorgvuldigheid.

Lees nu ook