Moeten dierentuinen meer ruimte maken voor inheemse diersoorten?

Deel

Europese wolven (Canis lupus lupus) in het Franse dierenpark van Monts de Guéret. Foto: Wikimedia Commons / Chris Oxford

Een ‘goede’ dierentuin faciliteert vandaag de dag niet enkel recreatie, maar heeft ook een educatieve, onderzoek- en natuurbeschermingstaak. Een studie in Plos Biology van 19 augustus naar ruim honderd Britse en Ierse dierentuinen laat zien dat lokale soorten slechts 9 procent van de dierencollecties uitmaken. Moet dat percentage omhoog om beter aan te sluiten bij moderne pijlers? 


‘Dierentuinen kunnen iets betekenen voor een diersoort zonder dat het dier onderdeel uitmaakt van de collectie’

Wineke Schoo, gedragsbioloog en directeur van de Nederlandse Vereniging van Dierentuinen 


‘Dierentuinen kunnen een verschil maken voor een diersoort, in Nederland of daarbuiten, zonder dat het dier onderdeel uitmaakt van het collectiebestand. Een dierentuin is hoe dan ook geen representatie van hoe biodiversiteit is verdeeld; dan zouden er namelijk voornamelijk insecten te zien zijn. Het klinkt misschien wat oneerbiedig, maar binnen de collectieplanning van een ‘goede’ moderne dierentuin vervult elk dier een bepaalde rol. Wellicht maakt het deel uit van een fokprogramma, of heeft het een ambassadeursfunctie. Het moet mijns inziens geen doel op zich zijn om het collectiebestanddeel dat bestaat uit inheemse diersoorten te verhogen. 


‘Veel van de Nederlandse fauna komt momenteel niet in dierentuinen voor. Of althans, niet binnen de collectie; veel dierentuinen zijn door onder meer vlinderplanten of zwaluwmuren erg aantrekkelijk voor lokale wilde fauna. 


‘Dat dieren geen onderdeel zijn van de collectie, wil niet zeggen dat dierentuinen achter de schermen niets voor ze kunnen betekenen. Dierentuinen dragen financieel bij – gezamenlijk zijn ze wereldwijd de op twee na grootste gelddonor aan natuurbescherming – maar ook door onderzoek en bewustwording. Meerdere bij de Nederlandse Vereniging van Dierentuinen aangesloten dierentuinen werken momenteel bijvoorbeeld mee aan onderzoek naar overleving naar jonge grutto’s in Nederlandse graslanden. Uiteraard gebeurt het ook dat dierentuinen lokale soorten waarvoor ze zich inzetten, eveneens in de collectie hebben; de lokaal bedreigde korenwolf in het Limburgse GaiaZoo is een mooi voorbeeld. Bezoekers ontdekken zo de natuur dicht bij huis, en dat is zeker waardevol. Dat gezegd hebbende is het ook wat betreft natuurbehoud niet nodig om ons blind te staren op Nederland. Soms kan dezelfde inzet elders ter wereld een grotere impact maken dan om de hoek.’



‘Elk dierentuindier, inheems of exotisch, moet aantoonbare impact hebben op welzijn, behoud en/of educatie’ 

Marc Damen, lid van het onafhankelijke adviesorgaan De Raad van Dierenaangelegenheden 


‘De Raad van Dierenaangelegenheden (RDA) pleit niet automatisch voor meer inheemse soorten, maar wel voor een onderbouwde collectiekeuze gebaseerd op vier randvoorwaarden: dierwaardigheid, impact op biodiversiteit, educatieve impact, en transparante ethische afwegingen. 


‘Inheems is geen garantie voor eenvoud. Uiteraard betekent het dat het klimaat en landschap van de dierentuin doorgaans nauwer raken aan natuurlijke omstandigheden. Tegelijk kunnen migratiegedrag, een groot thuisbereik of specifieke omgevingseisen bij Nederlandse soorten – net zozeer als bij exotische dieren – tot ethische vraagstukken leiden. Dierenwelzijn hangt uiteindelijk af van soortspecifieke factoren en is voor beide groepen niet vanzelfsprekend.


‘Wat betreft lokale natuurbescherming kunnen dierentuinen absoluut een complementaire rol spelen. In Nederland bereiken dierentuinen met zo’n 10 miljoen bezoeken per jaar een breed en divers publiek dat natuurgebieden niet per se opzoekt. Dierentuinen kunnen bovendien inheemse dieren tonen die in het veld zelden te zien zijn. Een belangrijke kanttekening is dat 53 procent van de ondervraagden in een eerdere RDA-enquête aangaf veel verschillende diersoorten van over de hele wereld te willen zien, tegenover 7 procent die voorkeur had voor lokale fauna. Een fikse verschuiving naar regionale soorten raakt dus mogelijk aan de recreatieve aantrekkingskracht.


‘Zoals het Plos Biology-artikel terecht aanwijst, genereren charismatische soorten de bezoekersinkomsten die (deels) de financiering van conservatie-, onderzoeks- en educatieprogramma’s mogelijk maken. Daar komt bij dat dierentuinen een zogenaamde mondiale arkfunctie hebben: ze dragen bij aan fokprogramma’s ter behoud van ernstig bedreigde diersoorten. Onomstotelijk gaat het daarbij merendeels om exotische dieren. Daarentegen loopt de daadwerkelijke bijdrage aan soortenbehoud per instelling, evenals in Groot-Brittannië, ook in Nederland enorm uiteen. Het lastige is dat onze kritische kanttekeningen met name betrekking hebben op kleinere, niet bij branche-overkoepelende organisaties aangesloten dierenparken, terwijl het in de praktijk vooral ten onrechte afstraalt op gerenommeerde dierentuinen.’ 

Lees nu ook