
Heggen en bomenrijen kunnen muizenplagen in agrarisch gebied helpen voorkomen.
Heggen, struikgewas en bomenrijen kunnen plagen van woelmuizen en woelratten in agrarisch gebied voorkomen. Dat concludeert biogeograaf Kenneth Rijsdijk van de Universiteit van Amsterdam in een overzichtsstudie in Journal of Pest Science van 24 augustus. Vooral de roofdieren die zulke houtige begroeiing aantrekt, spelen daarbij een belangrijke rol.
Agrariërs in Friesland kampten in augustus weer met een muizenplaag. Het open agrarische landschap vormt er een ideale leefwereld voor veldmuizen. De dieren graven holen onder de weilanden en knagen aan het gras en de wortels ervan. Ook akkers met andere gewassen hebben last van muizen.
‘Je moet maar eens op Google Maps kijken’, zegt Rijsdijk. De satellietbeelden laten groene lappen zien tussen bijvoorbeeld de Friese plaatsen Heeg en Woudsend. ‘Lege landschappen’ noemt Rijsdijk zulke gebieden. Voor veldmuizen met honger zijn de plantaardige biljartlakens een paradijs. Door de milde winter en de fijne lente struikelden agrariërs er bij wijze van spreken over de muizen.
Meer bomen, minder plagen
‘Sinds de jaren tachtig weten we al dat lege landschappen optimaal zijn voor muizen’, zegt Rijsdijk. Het was ook bekend dat gebieden met bosschages, heggen en bomenrijen minder last hebben van knaagdierplagen. Hoe bomen en struiken muizen onder de duim houden, was nog niet uitgezocht.
‘Houtige begroeiing is essentieel’, concludeert Rijsdijk. In bomen en struiken vinden roofdieren een uitvalsbasis. Vossen en marterachtigen, maar ook uilen en andere roofvogels. Vossen verschuilen zich bijvoorbeeld in hagen, roofvogels houden graag vanaf een tak de omgeving in de gaten.
Het is vervolgens belangrijk dat de predatoren een mix vormen van specialisten en generalisten, legt Rijsdijk uit. De grauwe kiekendief, de hermelijn en de wezel gelden als specialist. Ze zijn nuttig bij het in bedwang houden van de hoeveelheid muizen, alleen lopen ze steeds achter: eerst neemt het aantal prooidieren toe, daarna stijgen de geboortecijfers bij de specialisten. ‘Generalisten zoals vossen en buizerds zijn nodig om te voorkomen dat het een plaag wordt.’ Zodra de hoeveelheid woelmuizen toeneemt, schakelen ze over op woelmuis.
Hoe zit het met onze huisgeneralist, de kat? In de directe omgeving van woonwijken is zijn rol bij het onderdrukken van plagen zichtbaar. ‘Maar katten gaan niet verder dan anderhalve kilometer van huis’, zegt Rijsdijk, ‘in de winter 500 meter.’ Vossen en uilen bestrijken een veel groter gebied.
Gevaarlijk terrein
Landbouwgebied met veel heggen en bomen heeft weinig tot geen last van knaagdierplagen, zag Rijsdijk in zijn studie. Voor woelmuizen zijn hagen en andere houtige landschapsstructuren een vijandige omgeving. Omdat er roofdieren leven maar ook omdat het struikgewas al bewoond wordt door andere muizensoorten. ‘Die kunnen nogal territoriaal zijn.’ Heggen werken dus niet als snelweg voor een muizenplaag, ze werken als grens.
Met schaalvergroting in het achterhoofd zijn vanaf de jaren vijfig industriële akkers aangelegd, vertelt Rijsdijk. ‘Het zijn heel efficiënte landschappen voor grote machines, maar het is ook de belangrijkste oorzaak voor het creëren van plagen. Ook in Frankrijk en Duitsland.’ Om de uitbraak in te dammen, wordt het land onder water gezet. Maar dat doodt ook insecten en ander leven dat niet functioneert onder water. Roofdieren een houtig thuis bieden blijkt in de praktijk een prima methode om plagen te voorkomen. Ze houden dag en nacht de knaagdierpopulatie onder controle.
