
Waar ecologen zich voorheen vooral focusten op bedreigde soorten in beschermde natuurgebieden, is de blik steeds vaker gericht op algemene soorten in stad en land. ‘Basiskwaliteit natuur’ is het nieuwe modewoord.
In de naderende week van de biodiversiteit zal het waarschijnlijk wat minder over zeldzame soorten en Natura 2000-gebieden gaan. Natuurbeschermingsorganisaties en ecologen hebben hun blik namelijk verruimd naar de stad en agrarisch gebied. Want ook de populaties van de ‘gewone’ soorten gaan grotendeels achteruit, zo werd nog maar eens bevestigd door de nieuwe Rode Lijst Libellen die eind april uitkwam. Om het tij te keren, moet de kwaliteit van het landschap met bijhorende soorten overal omhoog. Oftewel: zorg voor een basiskwaliteit natuur (BKN). De term werd acht jaar geleden geïntroduceerd door Robert Kwak van Vogelbescherming Nederland en is inmiddels omarmd door de soortenorganisaties en ook het ministerie van LVVN.
Sinds 2024 loopt het door het ministerie gefinancierde Kennisprogramma Basiskwaliteit Natuur: een consortium van SoortenNL, Vogelbescherming, Deltaplan Biodiversiteitsherstel, IUCN, Naturalis en Wageningen University probeert de wetenschappelijke basis van het concept te versterken en ook handen en voeten te geven aan de uitvoering en monitoring.
De kern van BKN is de sturing op condities in plaats van op soorten of natuurtypen. ‘Het gaat erom dat de condities overal op een niveau zijn waarop ze bijdragen aan een geschikt leefgebied’, zegt programmaleider Floor Edixhoven van het Deltaplan Biodiversiteitsherstel. ‘We hebben van elk landschap heel erg concreet gemaakt welke condities je daar wil hebben en ook wanneer het goed is. Dan moet je binnen de bebouwde kom denken aan een bepaald percentage onverhard oppervlak, maar je wil ook dat er genoeg struiken en bomen aanwezig zijn, natuurvriendelijke oevers. Maar ook milieuomstandigheden als nutriëntengehalte en verontreiniging. En het beheer is ook bepalend.’ Die condities zijn gedifferentieerd naar landschapstype. ‘Als we overal hetzelfde zouden doen, dan zou heel Nederland er hetzelfde uit kunnen zien’, aldus Edixhoven. ‘Een duin- en kustlandschap is heel anders dan het heuvelland in Zuid-Limburg. Je wilt sturen op condities die bij dat gebied passen.’
Indicatorsoorten
De nieuwe aanpak richt zich niet alleen op de condities, er is wel degelijk oog voor specifieke soorten. ‘Die soorten zijn uiteindelijk de proof of the pudding’, zegt Michiel Wallis de Vries, die vanuit De Vlinderstichting bij het kennisprogramma betrokken is. ‘Als ondanks de verbetering van de condities kenmerkende soorten van dat landschap niet terugkeren, moeten we nog eens even goed kijken hoe het systeem werkt en of we wel de goede maatregelen treffen. Uiteindelijk moet het een voortdurende kringloop worden van doen, leren, beter doen.’
Wallis de Vries werkt onder andere aan de selectie van indicatorsoorten voor BKN. Voor de selectie van de in totaal circa vijfhonderd soorten zijn species distribution models ingezet, aangevuld met expertoordeel waar de data niet toereikend zijn. Naast kenmerkend voor bepaalde landschappen en indicatief voor de betreffende condities, moet die soort ook goed te monitoren zijn door vrijwilligers. ‘Als je door het hele land wil monitoren, heb je heel veel mensen nodig en kun je niet zonder vrijwillige tellers. Epifytische korstmossen zijn heel indicatief voor ammoniakconcentraties in de lucht, maar soorten die alleen door specialisten te herkennen zijn hebben we buiten beschouwing gelaten.’
Daarnaast worden andere kennislacunes in het project gedicht, zodat het idee ook daadwerkelijk in praktijk gebracht kan worden. Een daarvan betreft de minimale populatieomvang die nodig is voor duurzame aanwezigheid in een landschapseenheid. Wallis de Vries: ‘Of je in een wijk of een bepaald landschap wel voldoende schaal hebt dat die soorten daar voorkomen, die onderbouwing moeten we eigenlijk nog krijgen. Ondertussen hoef je ook niet te wachten. Er zijn pilotprojecten in zowel stedelijk als landelijk gebied waarbij gewoon gewerkt wordt aan basiskwaliteit. Daar leren we natuurlijk ook veel van.’
Om de implementatie te ondersteunen, werkt het Deltaplan aan de Natuur Navigator: een openbaar toegankelijke digitale tool die per geselecteerd gebied de huidige staat van de BKN-condities visualiseert. Edixhoven: ‘Je kunt gewoon een gebied selecteren, een gemeente of een wijk of wat dan ook. Je krijgt een soort nulmeting hoe die condities er aan toe zijn. Daarbij krijg je ook maatregelen aangeboden. Dat blijven wel maatregelen op een globaal niveau, omdat je altijd lokaal moet kijken waar de drukfactoren vandaan komen. Maar het geeft wel een eerste sturing.’

Gevaar
De vraag dringt zich op of de brede inzet op algemene soorten in buiten natuurgebieden niet zal leiden tot minder aandacht en geld voor de ‘echte’ natuur in natuurgebieden. Wallis de Vries keert de redenering om: ‘Ik denk niet dat dat het geval is’, reageert Wallis de Vries. ‘Het is ook niet een van de twee, het versterkt elkaar. Als die basiskwaliteit rondom natuurgebieden gerealiseerd wordt, dan wordt het binnen die natuurgebieden ook een stuk makkelijker om de kwaliteit op peil te krijgen. Ik ben ook betrokken bij een OBN-project rond de inrichting van overgangsgebieden bij Natura 2000. Daarbij kijken we wat er buiten die gebieden moet gebeuren om de doelen daarbinnen te halen. Soms kunnen die doelen alleen worden gehaald doordat er in de omgeving iets verandert. En als je die voorwaarden voor basiskwaliteit dan al gerealiseerd hebt, ben je al een stuk dichterbij.’
Edixhoven ziet daarentegen wel een ander risico: ‘Als we gaan sturen op basiskwaliteit natuur, hoe zorgen we dat we daar dan niet te veel in blijven hangen? Het gevaar is dat we daardoor slechts het minimale gaan doen wat nodig is. Dat is iets waar we als natuurbeschermers scherp op moeten zijn.’
Het kennisprogramma loopt nog tot 2028, maar komt in deze fase al wel met een aantal concrete producten. Op 21 april verscheen een rapport over BKN in beleid (zie kader). Na het eerdere handboek over BKN in het bebouwde gebied eerder dit jaar, volgt in juni een handboek voor het landelijk gebied, inclusief bermen, erven en kleine bosjes. Daarbij hoort dan ook een handboek voor monitoring, met een stappenplan voor elke soortgroep.’
Voor het einde van het project moet vooral veel ervaring in de praktijk worden opgedaan. Edixhoven: ‘We proberen niet alleen kennis te ontwikkelen, maar ook te zorgen dat gemeenten en overheden echt met basiskwaliteit natuur aan de slag kunnen gaan. Er komt nog van alles: het handboek voor gebiedsprocessen, de Natuur Navigator, de monitoringmethoden. We proberen zo goed mogelijk te zorgen dat het ook landt in de praktijk.’
Koplopers
In de praktijk zouden vooral provincies, waterschappen en gemeenten een grote rol moeten hebben ontwikkeling van basiskwaliteit natuur. Zover is het nog niet, maar sommige hebben de eerste stappen op dit vlak al gezet. Zo bracht Provincie Drenthe vorig jaar de Handreiking basiskwaliteit natuur uit, waarin het concept wordt neergezet als ecologische ondergrens die gehanteerd dient te worden. Met concrete voorbeelden van natuurinclusief inrichten van infrastructuur, het beheren van bermen en watergangen met oog voor ecologie en het inzetten van gebiedsgerichte maatregelen in het landelijk gebied wordt dit concreet gemaakt. Ook een groeiend aantal gemeenten is ermee bezig. Een van de koplopers is de gemeente Ede, die zich tot doel heeft gesteld de basiskwaliteit in 2030 op orde te hebben.
Nederland móet wel aan basiskwaliteit werken
Dat ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur het concept basiskwaliteit natuur omarmt, is met het oog op bestaande en aankomende wetgeving niet zo vreemd. Onder andere de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn dwingt lidstaten om zorg te dragen voor alle vogels, ook buiten natuurgebieden. Maar ook als het gaat om instandhoudingsdoelen voor soorten binnen Natura 2000-gebieden, kunnen in de praktijk alleen worden gehaald als ook de basiskwaliteit daarbuiten op orde is, concluderen experts van IUCN Nederland in het eind april verschenen rapport Basiskwaliteit Natuur in beleid. Artikel 10 van de Habitatrichtlijn verplicht lidstaten bovendien om landschapselementen die migratie en genetische uitwisseling ondersteunen actief te beheren.
Ook de Kaderrichtlijn water dwingt Nederland om de condities op watergebied te verbeteren. Nederland zou vóór 2027 overal een goede ecologische en chemische waterkwaliteit moeten hebben, een doel waarvan algemeen wordt aangenomen dat die niet wordt gehaald. Hoe dan ook zijn die doelen niet te halen met maatregelen in het waterlichaam alleen, aanpassing van het omliggende landgebruik is onvermijdelijk. Bufferstroken, extensivering en hydrologisch herstel zijn tegelijk KRW-maatregelen én bouwstenen voor Basiskwaliteit Natuur.

Een mogelijk nog grotere invloed heeft de Natuurherstelverordening. Die Europese wet – waarin nadrukkelijk wordt geëist om ook aan natuurherstel buiten bestaande natuurgebieden te werken – werd in 2024 aangenomen en dit jaar moet Nederland in een natuurherstelplan laten zien hoe de gestelde doelen worden bereikt. En die zijn niet mis: voor 2030 moeten lidstaten herstelmaatregelen treffen op 30 procent van de habitats in slechte staat, oplopend naar 90 procent in 2050. Verslechtering moet worden voorkomen en ecologische samenhang versterkt. Omdat een groot deel van de herstelnoodzaak buiten beschermde gebieden ligt, is werken aan basiskwaliteit onmisbaar om deze doelen te halen.
