
Palmvarens gebruiken warmte om kevers te lokken. Die oeroude relatie biedt nieuwe inzichten in de co-evolutie tussen planten en hun bestuivers.
Niet kleuren en geuren, maar warmte lokte de eerste bestuivers naar oervormen van zaadplanten. Palmvarens beschikken hiertoe over aangepaste mitochondriën en circadiane genen voor ritmische warmteproductie in hun bloeikegels, terwijl gespecialiseerde keversoorten infraroodgevoelige TRPA1-receptoren in hun antennes hebben die deze bijzondere co-evolutie mogelijk maakt. Dat blijkt uit onderzoek aan de kartoncycade (Zamia furfuracea) en bijbehorende bestuivende Rhopalotria furfuracea-kever (Science, 12 december). Een bestuiving die al 200 miljoen jaar bestaat en evolutionaire vergelijkingen tonen aan dat deze op warmte en infrarood gebaseerde signalering ouder is dan de nu wijdverbreide bestuivingsignalen op geur en kleur.
De onderzoekers, geleid door de mede in Groningen opgeleide evolutiebioloog Wendy Valencia-Montoya van Harvard University, stellen vast dat deze palmvaren eenmaal per dag een warmtestoot produceert die begint in de middag en piekt in de vroege avond. Hierbij warmen mannelijke bloeikegels drie uur eerder op dan vrouwelijke. Dat is genoeg voor een nachtelijk bezoek in volgorde door bestuivende kevers, die het infraroodspoor volgen. Door een signaal te gebruiken dat slechts door één enkele receptor detecteerbaar is, zijn palmvarens mogelijk gevangen geraakt in een nachtelijke maandans met kevers die hun evolutionaire radiatie inperkte, schrijven Britse plantenwetenschappers van de University of Cambridge in een begeleidende perspective. Het succes van bloemplanten werd mogelijk dankzij bestuiving door dagactieve insecten, die zich vooral laten leiden door geuren en kleuren.
