‘Paringen zijn hopeloos slecht geregeld’

Deel

‘Waarom zou je paren met een verkeerde partner? Het wordt vaak afgedaan als een afwijking of pathologie, maar het komt vrij algemeen voor. Als evolutiebioloog wil je toch weten wat dit betekent voor het ontstaan van partnerkeuze.’ Dat zegt gedragsecoloog en entomoloog David Shuker van de Schotse University of St Andrews. Op vrijdag 18 december hield hij hierover de openingslezing op de Entomologendag in Ede.


Wetenschappelijk staat het bekend als reproductieve interferentie: paringen tussen individuen van verschillende soorten of ontwikkelingsstadia. Ze brengen ogenschijnlijk wel kosten met zich mee, maar leiden niet tot nakomelingen en fitnessverhoging. Als voorbeeld noemt Shuker copulaties tussen pinguïns en mannelijke Antarctische oorrobben, waarvan in 2014 video-opnamen viraal de wereld over gingen. ‘Dit paringsgedrag verspreidt zich cultureel, het is te simpel om het alleen af te doen als zot, afwijkend gedrag’, meent Shuker. ‘Het is zelfs de vraag of het verkeerd gedrag is. Misschien zitten er verborgen adaptaties achter en als het fout gedrag is, dan is dat interessant, omdat het inzicht biedt in mechanismen rond paarkeuze en seksuele selectie.’


Shuker en zijn collega’s onderzoeken reproductieve interferentie in experimenten met ridderwantsen, vooral de roodzwartgekleurde prachtridderwants Lygaeus equestris . ‘Bij deze wantsen paren mannetjes soms intensief met nimfen, die onvruchtbaar zijn. Niet tien seconden, maar langdurige, volledige copulaties’, vertelt Shuker. ‘Uit veldonderzoek blijkt dat ook paringen tussen verschillende soorten regelmatig voorkomen.’ In experimenten met vier ridderwantssoorten is vastgesteld vast dat tot 10 procent van de paringen plaatsvindt tussen niet-soortgenoten ( Population Ecology , 21 januari 2015). ‘Van vrouwelijke partnerkeuze voorafgaand aan de paring is opmerkelijk weinig sprake’, aldus Shuker.




Prachtridderwantsen zijn seksueel niet zo kieskeurig en paren niet alleen in paren.


‘Veel paringen verlopen hopeloos inefficiënt.’


Bij wantsen zijn ook de geslachtsorganen niet erg handig. ‘De penissen zijn relatief enorm lang, veel langer dan nodig lijkt om succesvol te paren’, merkt Shuker up. Ruim 22 procent van de mannetjes loopt bij paring dan ook breuken in de penis op ( Proceedings of the Royal Society B , 13 mei 2015).


Dit valt volgens hem deels te verklaren door wat in de evolutiebiologie het seksuele conflict heet: seksen hebben verschillende belangen bij paring. ‘Qua genitaliën is sprake van een wapenwedloop tussen seksen, maar die lijkt uit de hand te zijn gelopen.’


Shuker denkt dat onderzoekers nooit echt goed hebben gekeken naar mislukte paringen, terwijl die wel veel voorkomen. Ook het hoge percentage onvruchtbaarheid in de natuur noemt hij een raadsel dat om een verklaring roept. Zo levert de helft van de wantsenparingen geen nakomelingen op en wordt een kwart van de wantsenmannetjes nooit vader ( Journal of Evolutionary Biology , 6 juli 2015). ‘Vreemd’, constateert Shuker, ‘want voortplanten is juist een sleutelproces in de evolutie waarvan je verwacht dat het beter geregeld is.’


foto David Shuker

Lees nu ook