
Lichtvervuiling, geluidsoverlast en zwerfafval: dieren in steden hebben het niet altijd makkelijk. Hoeveel last hebben ze daarvan? Dat onderzochten vwo-scholieren Ilana van Veluw, Inke Meijer, Rosalie Otten en Zhou Meng Heddema voor hun profielwerkstuk, aan de hand van huiskrekels. ‘Testen mocht alleen op ongewervelden, en huiskrekels zijn makkelijk verkrijgbaar’, verklaart Meijer de proefdierkeuze.
Voor hun experiment plaatsen de scholieren vier terraria met elk 35-40 krekels in de schuur bij Van Veluw thuis. Haar huisgenoten vonden dat geen probleem, stelt Van Veluw, behalve toen er aanvankelijk een paar krekels ontsnapten. Voor het uiteindelijke experiment richten de scholieren op één terrarium een lampje, in één voegen ze zwerfafval toe, bij een ander plaatsen ze een geluidsbron en het vierde terrarium dient als controle. Een week lang bekijken ze vervolgens of de krekels zich afwijkend gedragen – het type gedragingen hadden ze in een voorexperiment vastgesteld. ‘De krekels met lichtvervuiling waren minder actief; logisch, want die weten niet meer wanneer het nacht is, normaal hun actieve periode. Met afval gingen ze meer springen en lopen, waarschijnlijk om een weg te banen tussen het zwerfvuil door. Ook bij geluidsoverlast bewogen ze meer, we denken vanwege stress’, vat Otten de resultaten samen. Waar de scholieren bij het voorexperiment met tegenslag te maken krijgen – ‘We hadden toen een soort opperkrekel, die overleed. Vervolgens gingen alle krekels dood’, aldus Van Veluw – verloopt het uiteindelijke experiment soepel.
Hoewel de nagebootste stedelijke verstoringen in het experiment zeker niet gunstig lijken voor krekels, is de hoofdconclusie van het profielwerkstuk – waarvoor de scholieren ook literatuuronderzoek deden – genuanceerder: ‘Op korte termijn geven zulke factoren veel stress, maar krekels zijn op langere termijn goed in staat zich aan te passen’, aldus Otten.

