Word lid

Verborgen bestemmingen

Deel

Terwijl vakantiegangers de blik richten op stranden, bergtoppen, vulkanen en snorkelplekken, spelen zich buiten beeld biologische taferelen af die zelden in reisgidsen belanden. Bionieuws maakt een rondgang langs organismen die op onwaarschijnlijke plekken leven, groeien, schuilen of hun nageslacht achterlaten – van ondergrondse kraamkamers tot tijdelijke ijshotels en levende logeeradressen.

Illustratie: Leen van der Heijdt / À la Leen


Geothermisch kuuroord

De maleo (Macrocephalon maleo) kiest voor zijn nageslacht een bestemming waar de meeste vogels hun ei liever niet achterlaten: warm, ondergronds en zonder ouderlijk toezicht. Deze endemische en ernstig bedreigde grootpoothoen van Sulawesi trekt vanuit het bos naar warme zandgronden, rivieroevers, stranden of vulkanische bodems, graaft daar een diepe kuil en laat er één reusachtig ei achter. Daarna zit het ouderlijk werk er vrijwel op. Geen donsbuik op het nest, geen zorgvuldig keren van eieren, geen wormpjes in open snaveltjes. De bodem doet het werk.


Die bodem moet dan wel precies goed zijn. Maleo’s vertrouwen op zonnewarmte of geothermische hitte; het ei verdwijnt in een natuurlijke broedstoof, ergens rond de 32 tot 35 graden Celsius. Zandtemperatuur is dan ook een belangrijke voorspeller voor waar maleo’s hun ondergrondse couveuse kiezen. Zulke kraamkamers zijn bovendien kwetsbaar: eierenroof en versnippering tussen broedplek en bos bepalen mede of maleo’s er kunnen blijven broeden (Biodiversity and Conservation, 2023).


Na twee tot drie maanden kruipt het kuiken uit het ei, ploegt zich eigenhandig omhoog door het zand en begint direct aan zijn zelfstandige leven. Het jong kan al snel lopen, voedsel zoeken en zelfs vliegen. Wie uitcheckt uit een geothermisch kuuroord, krijgt blijkbaar geen all-inclusive nazorg.


Op de toppen van de Andes

De Llullaillaco beklimmen is een indrukwekkende prestatie. Deze slapende vulkaan op de grens tussen Chili en Argentinië is maar liefst 6.739 meter hoog. De temperatuur schommelt er tussen de -8 en -15 graden Celsius, en alsof dat nog niet uitdagend genoeg is, is het zuurstofgehalte er ongeveer half zo hoog als op zeeniveau. 


Geen al te aangename plek om te vertoeven dus, en toch is dat wat bladoormuizen (Phyllotis vaccarum) wel degelijk doen. Ook bij omliggende toppen van het Andesgebergte weet dit kleine zoogdiertje zich te handhaven, zo blijkt uit wetenschappelijke expedities (Current Biology, 2023). 


Van eerder aangetroffen muizenlijkjes dachten onderzoekers dat ze ooit door Inca’s waren meegebracht, die de bergen als heilige plek zagen. Koolstofdatering laat zien dat dat niet klopt: de muizenmummies zijn slechts enkele decennia oud. Bovendien spotten wetenschappers ook levende exemplaren en actief gebruikte holletjes. 


Wat de dieren op deze recordhoogte voor zoogdieren precies doen is ondertussen een raadsel. Het landschap is onherbergzaam en veel te eten is er niet. Voordeel daarvan is wel dat predatoren als vossen, poema’s en roofvogels zich er niet wagen. Eén zorg minder – er blijven nog genoeg zorgen over op deze plek. 


Petroleumparadijs

Op nog geen steenworp afstand van Hollywood bevindt zich de droombestemming van menig paleontoloog: de La Brea-teerputten. Al tienduizenden jaren lang komen planten, insecten en zoogdieren onverbiddelijk tot hun eind in het stroperige asfalt dat vanuit de ondergrond naar boven sijpelt. De fossiele overblijfselen vormen een ware schat aan prehistorische kennis. 


Toch is de naar botten speurende H. sapiens niet het enige organisme dat in z’n element is in de zwarte drek. Wie goed kijkt kan een kleine made spotten aan het olie-oppervlak: de larve van Helaeomyia petrolei, onder Amerikanen ook wel bekend als de petroleum fly. Het wormachtige larfje heeft een olie-afstotende kop, snorkelvormige ademorganen op zijn achterste en glijdt daarmee als een Olympisch zwemmer door het asfalt, op zoek naar hulpeloze insecten die vast zitten in de drab. 


Wanneer de larve zich te goed doet aan een ongelukkige krekel of vlieg, slobbert hij zonder problemen ook flinke teugen asfalt naar binnen, wat het semitransparante insect zijn karakteristieke colakleurige lijf oplevert.  


Met zijn unieke antikleefpoten trippelt de eenmaal ontpopte volwassen petroleumvlieg net als vroeger met gemak over de ruwe olie – maar niet zonder gevaar. De rest van zijn lichaam is niet zo goed uitgerust, en wanneer onverhoopt toch het hoofd of vleugel vast komt te plakken, kan hij zomaar het volgende maal vormen voor zijn eigen kroost…

Illustratie: Leen van der Heijdt / À la Leen


Rectaal resort

Niet elke parelvis kiest dezelfde bestemming om zich veilig te verschuilen. Sommige soorten zwemmen vrij rond, andere trekken in bij tweekleppigen, zeesterren of zakpijpen. Maar de beruchtste logeerpartij speelt zich af in zeekomkommers: de aalachtige, schubloze Atlantische parelvis (Carapus bermudensis) brengt de dag bijvoorbeeld door in soorten als Actinopyga agassizi. Naar binnen gaat hij niet keurig via een voordeur, maar via de anus.

Een slijmlaag helpt daarbij vermoedelijk als glijmiddel én bescherming

Dat vraagt om timing. De vis spoort zijn gastheer op via waterstromen uit de vertakte ademhalingsorganen van de zeekomkommer; die pompt via de anus water naar binnen en buiten. Zodra de anus opent, wurmt de parelvis zich naar binnen. Soms met de kop eerst, soms achteruit inparkerend met de staart als gids. Een slijmlaag helpt daarbij vermoedelijk als glijmiddel én bescherming tegen de giftige saponinen waarmee zeekomkommers zich verdedigen.


Eenmaal binnen zit de parelvis relatief veilig voor roofdieren. Carapus-soorten zoals deze gebruiken hun levende hotel vooral als schuilplaats en eten buitenshuis; verwante Encheliophis-soorten gedragen zich minder hoffelijk en knabbelen aan gonaden of ander zacht gastheerweefsel. Meestal is het verblijf exclusief, maar uitzonderingen bestaan: uit één verzamelde luipaardzeekomkommer kropen binnen tien uur veertien parelvissen naar buiten, terwijl nummer vijftien binnenbleef. Voor een rectaal resort is dat behoorlijk krap geboekt.


Een huis van hemelijs

Wratachtige uitstulpingen op de stam, vroeg uitvallende bladeren en afstervende takken: de bacteriesoort Pseudomonas syringae is verantwoordelijk voor een flinke waslijst aan ziektebeelden bij geïnfecteerde planten. Niet gek dus dat deze microscopische boommoordenaar ook wel bekend staat onder de beruchte bijnaam ‘bacteriekanker’.


Dat P. syringae zich graag nestelt in steenvruchtbomen als kersen en pruimen was al sinds de jaren zeventig bekend, maar onderzoekers zullen zich in 2011 wel even achter de oren hebben gekrabd toen ze de staafvormige bacterie ook aantroffen in de kern van een hagelsteen.


De verklaring voor deze merkwaardige locatie? De soort produceert een speciaal eiwit dat watermoleculen ervan kan overtuigen zich netjes naast elkaar te rangschikken; water bevriest zo al bij temperaturen waarbij dat anders niet zou gebeuren. Een handig trucje van de micro-killer, want een plant met vorstschade is makkelijker te infecteren (Plant Physiology, 1982). 


Mocht een dergelijke bevriezer – al meeliftend op de wind – zich opeens in de wolken bevinden, kan hij ook dáár waterdamp aansporen tot het vormen van een ijskristalletje (Journal of Geophysical Research: Atmospheres, 2014). Zo start de onomkeerbare groei van een hagelsteen, wordt de bacterie opgeslokt in zijn nieuwe onderkomen van ijs, en valt hij terug naar de aarde waar hij ooit zijn reis begon.

Illustratie: Leen van der Heijdt / À la Leen


Op hoorns van overleden dieren

De schedel van een ram die in het veld ligt weg te rotten is op zichzelf al best luguber, maar de schimmel Onygena equina weet daar nog een macaber randje aan toe te voegen. Deze schimmel leeft van keratine en vestigt zich enkel op hoorns en hoeven van overleden dieren. 


Botten laat O. equina ongemoeid – een gebrek aan keratine speelt daar parten. Dat kan resulteren in de bijzondere aanblik van een nagenoeg intact gebleven schedel, voorzien van hoorns bedekt door witte steeltjes met een bolletje erop. Dat bolletje barst na verloop van tijd open, waarna de schimmelsporen die erin zitten zich kunnen verspreiden. Heel succesvol gaat dat niet; de schimmel komt voor in Europa en Noord-Amerika, maar waarnemingen zijn tamelijk schaars, zeker in Nederland.  


O. equina is niet de enige keratine-etende schimmel, maar is wel uniek als specialist van na de dood achtergebleven hoeven en hoorns. De sterk lijkende O. corvina wil zich daar ook weleens vestigen, maar die doet het ook goed op vogelveren en uilenballen. 


Voordat O. equina op zijn griezelige bestemming aankomt, moet ‘ie als spore waarschijnlijk nog een bijzondere reis afleggen. Het lijkt erop dat de schimmel het beste ontkiemt als de sporen eerst in de maag van een koe hebben gezeten. 


Ondergrondse retraite

De eerste bekende Rhizanthella gardneri kwam niet tevoorschijn tijdens een keurige botanische excursie, maar onder de ploeg van een West-Australische boer in 1928. Dat past bij een orchidee die zich niet zomaar laat vinden; wie deze soort zoekt, speurt niet tussen gras, struikgewas of bosstrooisel, maar krabt voorzichtig de bodem open. Zelfs de bloem blijft meestal ondergronds: een compacte tros van soms tientallen rood-crèmekleurige bloempjes, omsloten door roomroze schutbladen.


Aan daglicht heeft R. gardneri weinig boodschap. De plant heeft geen groene bladeren en doet nauwelijks aan fotosynthese. In plaats daarvan leeft hij via mycorrhizaschimmels, die op hun beurt verbonden zijn met de wortels van struiken zoals Melaleuca uncinata. Een botanische driehoeksverhouding dus: struik, schimmel en orchidee, waarbij de laatste ondergronds profiteert van koolstof die bovengronds wordt vastgelegd.


Zelfs bloei en zaadzetting spelen zich grotendeels in het donker af. Termieten en mieren zijn gezien als mogelijke bezoekers van de bloemhoofden. Waar veel orchideeën hun minuscule stofachtige zaad aan de wind meegeven, vormt R. gardneri vlezige vruchten met relatief grote zaden – ook de volgende generatie begint dus niet zwevend, maar ondergronds. Voor deze ernstig bedreigde orchidee is de bodem geen schuilplaats, maar standplaats, bloembed en kraamkamer tegelijk.

Lees nu ook