
Foto: Prof. Gordon T. Taylor, Stony Brook University
Naturalis’ nieuwe biodiversiteitsrapport brengt somber nieuws, maar laat bovenal zien waar de blinde vlek van onderzoek en beleid zit: de kleinste organismen.
Bij onderzoek en beleid over biodiversiteit duiken steevast de usual suspects op: vogels, zoogdieren en slechts een klein deel van de insecten (vlinders en libellen). Het is echter de vraag of deze soorten een volledig beeld geven van de staat van de Nederlandse natuur. ’We baseren ons beeld op die 6,5 procent van alle soorten die we goed kennen, vooral gewervelden’, zegt Koos Biesmeijer, wetenschappelijk directeur van Naturalis. ‘En dat is eigenlijk gek, want het overgrote deel van de biodiversiteit bestaat uit veel kleinere, vaak onzichtbare organismen.’ Die organismen krijgen dan ook bijzondere aandacht in het eerste Statusrapport Nederlandse biodiversiteit dat Naturalis 22 mei presenteerde. Waar het tweejaarlijkse Living Planet Report zich richt op trends van goed onderzochte soortgroepen en het Nationaal Dashboard Biodiversiteit een selectie van indicatoren toont, biedt dit rapport een overzicht van álle soortgroepen. Het rapport toont cijfers uit het Compendium voor de Leefomgeving, de Rode Lijsten (voor zover aanwezig) en de staat van instandhouding. Dat geeft – afgezien van een handvol succesverhalen zoals die van de otter en de zeearend – geen rooskleurig beeld. ‘Als je die zeventien Rode Lijsten naast elkaar ziet, is dat eigenlijk wel shocking’, zegt Biesmeijer. ‘In Nederland is een veel groter aandeel van de soorten bedreigd dan waar ook ter wereld. Wij zijn kampioen biodiversiteitsverlies.’
Fanclubs
Uit de Rode Lijsten blijkt dat van de circa 8.000 beoordeelde soorten 45 procent bedreigd of verdwenen is. Maar van een nog veel groter deel van de naar schatting 47.000 soorten in Nederland is heel weinig bekend. ‘Er zijn alleen Rode Lijsten van groepen met actieve fanclubs en goed ontwikkelde meetnetten’, zegt Biesmeijer. ‘Tegelijkertijd blijven schimmels, nematoden, kiezelwieren, microalgen en kevers structureel onderbelicht. Juist deze groepen zijn cruciaal voor ecosysteemprocessen zoals waterzuivering, koolstofopslag en bodemkwaliteit.’ Kleine soorten vervullen ook een sleutelrol als vroege indicatoren van verandering. ‘Je ziet dat veranderingen in waterkwaliteit of bodemgesteldheid vaak eerst effect hebben op de kleine organismen, en pas later op vissen of vogels. Wil je echt sturen op herstel, dan moet je kijken naar die vroege signalen.’
Meetnetten
Maar voor de meeste soortgroepen ontbreken gestandaardiseerde monitoringssystemen, alleen voor de populaire en vaak wat makkelijkere soortgroepen bestaan goed georganiseerde meetnetten. Veel tellingen zijn afhankelijk van vrijwilligers. ‘Voor vlinders doet de Vlinderstichting dat goed, en Sovon zorgt voor de vogels. Maar als je wilt weten of een lokale maatregel, zoals een natuurinclusieve herinrichting van een woonwijk, effect heeft, moet je op kleinere schaal en meer soortgroepen meten. En daar zijn gewoon niet genoeg vrijwilligers voor’, zegt Biesmeijer.
Arise
Niet geheel toevallig is Naturalis gespecialiseerd in nieuwe technieken om die soorten in kaart te brengen. Onder andere in het project Arise zetten wetenschappers kunstmatige intelligentie in om automatisch soorten te herkennen op foto’s of geluidsopnamen, en uit kleine samples via e-dna-onderzoek te achterhalen welke soorten in de omgeving leven. Ook werkt Naturalis mee aan de app ObsIdentify waarmee duizenden Nederlanders soorten determineren via automatische beeldherkenning. ‘De ObsIdentify -app wordt gevoed met tientallen miljoenen foto’s en levert inmiddels 70 procent van de biodiversiteitsdata van waarneming.nl’, zegt Biesmeijer. ‘Dat zou je nooit met experts in het veld kunnen doen. De experts kunnen wel al die foto’s bekijken en dat systeem verbeteren.’ Deze technologische sprong maakt het mogelijk om meetnetten te ontwikkelen voor veel meer soortgroepen, en bovendien veel fijnmaziger. ‘Op elk bouwterrein, elk boerenerf, in elk park: met camera’s en microfoons kun je straks een robuust netwerk bouwen’, aldus Biesmeijer. ‘Dan kunnen experts zich richten op de moeilijke gevallen en doen burgers en machines de rest.’
Als er meer bekend wordt over de nog onderbelichte groepen, zou dat ook wel eens een heel ander licht kunnen schijnen op de staat van de Nederlandse biodiversiteit. Maar Biesmeijer zelf verwacht dat niet. ‘Er is weinig reden om te denken dat het bij andere groepen veel beter gaat’, stelt hij. Wel kan de nieuwe kennis helpen bij herstel van de biodiversiteit. ‘Er komt een Europese herstelwet en de New Deal voor Bestuivers. Daarin staat dat in 2027 alle landen in Europa bestuiverpopulaties moeten meten en moeten kunnen aantonen dat ze verbeteren. Dat geldt ook voor het mariene milieu. De nieuwe technologie gaat ons enorm helpen om dat te meten en te ontdekken of we de juiste maatregelen nemen om het biodiversiteitsverlies te herstellen.’
