
Baby’s lijken misschien hulpeloos, maar deze pasgeboren wezens beschikken toch over allerlei vaardigheden en bijzondere eigenschappen. In sommige dingen zijn ze zelfs beter dan volwassenen. Welke?
Waarin zijn baby’s goed?
‘Baby’s kunnen heel goed huilen’, zegt hoogleraar psychobiologie van de vroege ontwikkeling Carolina de Weerth van het Baby & Child Research Center (BRC) in Nijmegen. ‘Daarmee kunnen ze heel goed aandacht trekken. Uit onderzoeken blijkt dat het geluid van een huilende baby als veel storender wordt ervaren dan andere geluiden. Met hun gehuil wakkeren baby’s een soort zorgtendens aan.’ Aandacht krijgen is voor een baby van levensbelang. Daarbij helpt het ook dat baby’s enorm schattig zijn.
Wat heeft een baby aan schattig zijn?
‘Schattigheid is een van de sterkste krachten om ons gedrag te veranderen’, stellen onderzoekers in een review in Trends in Cognitive Sciences (2016). Grote ogen, volle wangen en hoge wenkbrauwen maken baby’s schattig, maar ook hun gebrabbel en geur spelen in op de zorgneiging van volwassenen. Handig, want baby’s hebben veel zorg nodig, anders overleven ze niet.
Wat kunnen baby’s nog meer goed?
‘Baby’s zijn leermachines’, stelt De Weerth. ‘Ze zijn een soort spons en nemen heel veel signalen op. Dat zie je bijvoorbeeld in sociaal gedrag. Ze kunnen misschien niet praten, maar doen wel aan brabbelconversaties.’ Afhankelijk van de relatie met hun verzorger past een baby zich snel aan; bijvoorbeeld door zich op verschillende manieren te hechten. Hun hechtingsgedrag is dan aangepast aan wat het beste past bij die ene verzorger. Sowieso passen baby’s zich gemakkelijk aan, zelfs als ze nog in de baarmoeder zitten, merkt De Weerth op. ‘De instelling van het metabolisme passen ze bijvoorbeeld aan op basis van signalen over de omgeving waarin ze terecht gaan komen.’
Wat kan een baby wat een volwassene niet kan?
Een heleboel. De meeste volwassenen kunnen hun eigen tenen bijvoorbeeld onmogelijk in hun mond stoppen. Ook beschikken baby’s over sommige reflexen die later verloren gaan of minder sterk worden, zoals de duikreflex. Daarbij vertraagt onder meer de hartslag als een baby onder water komt, om zuurstof te besparen. Vanaf zes maanden oud neemt de reflex af (Journal of Child Neurology, 2012). Volgens de Amerikaanse quantumfysicus Seth Lloyd beschikken heel jonge baby’s daarnaast over een betere kwantumintuïtie; ze verwachten nog niet dat een object altijd op één plek is. Als ze iets niet zien, is het verdwenen en kan dus overal zijn. ‘Ze gaan ervanuit dat dit gewoon is hoe de wereld werkt’, aldus Lloyd in Nature (2016). Voor dit controversiële idee is overigens geen experimenteel bewijs.
Hoe zit het met klankwaarneming?
‘Baby’s zijn heel goed in klanken onderscheiden. Tot een maand of zes kunnen ze dat met de klanken van alle talen, daarna focussen ze zich vooral op de klanken van hun eigen taal – eerst de klinkers en daarna de medeklinkers, die belangrijker zijn voor betekenis’, legt hoogleraar eerstetaalverwerving Paula Fikkert uit, eveneens van het BRC. ‘In het begin heeft het babybrein veel, maar niet stevige verbindingen. De verbindingen die je niet nodig blijkt te hebben worden later zwakker.’ Volwassenen kunnen als ze hard hun best doen wel weer leren om klanken waar ze niet mee zijn opgegroeid te onderscheiden, maar het gemak waarmee een baby dat leert, kunnen ze niet evenaren. ‘Baby’s zijn enorm gefocust op taal. Hun wereld is klein en het contact met verzorgers is van levensbelang.’

