
Biologie is te leuk om onderzoeker te worden, want dan zie je maar een klein deel van het vak, vond wetenschapsjournalist Gert van Maanen. Schrijven is veel mooier.
‘Een loslopende hond vangt meer dan een vastzittende hond, was de filosofie van mijn vader. En dat heb ik ter harte genomen. Als hoofdredacteur van Bionieuws ben ik veel op pad geweest: ik bezocht symposia en hield mijn contacten met onderzoekers en persvoorlichters bij. Dat leverde vaak nieuwtjes op, en nieuws brengen zie ik als de hoofdtaak van het blad. We waren bijvoorbeeld een van de eersten die in 2008 al over de mogelijkheden van crispr-cas schreven.’ Gert van Maanen (1961), die 17 jaar leidinggaf aan de redactie van Bionieuws, ging 1 april met prepensioen. Hij kijkt met plezier terug: ‘Als je bioloog bent en van schrijven houdt, zoals ik, is Bionieuws de leukste plek om te werken. Het was een mooie tijd.’
Soms wel drama
Een drukke tijd ook, want elke twee weken moest er weer een nieuwe krant zijn. Was dat niet moeilijk? ‘Aan onderwerpen hadden we nooit gebrek, dat was geen probleem. Maar ja, het was soms wel drama. We hadden geen voorraad verhalen klaarliggen, dus als vlak voor de deadline een stuk uitviel, bijvoorbeeld omdat de auteur ziek geworden was, hadden we een probleem en moesten we onder druk iets produceren.’ Maar hij liet zich dan niet gek maken, en deed er zelfs graag een schepje bovenop door zich, tot wanhoop van zijn collega’s, hardop af te vragen waar zijn column over zou moeten gaan – vlak voordat het blad naar de drukker moest. ‘Het is altijd goed gekomen.’
Boerenknecht
Hij is niet alleen stressbestendig, zegt hij, maar ook productief, wat chaotisch en bovenal nieuwsgierig. Die nieuwsgierigheid zat er al vroeg in. ‘Ik ben opgegroeid in de Noordoostpolder, op de rand van het voormalige eiland Schokland. Mijn vader was daar boerenknecht, ik was de jongste van vijf kinderen. We speelden altijd buiten en mochten doen wat we wilden, want er was niets en we konden dus ook geen kwaad uithalen. Met een buurjongen ging ik vaak op zoek naar archeologische vondsten, afkomstig van boten die ooit de Zuiderzee bevoeren. Dat vond ik geweldig interessant. We vonden onder meer een hertenbenen fluitje en een Romeins kammetje. Die zijn naar een museum in Sneek gegaan.’
Op de middelbare school vertaalde die belangstelling voor het verleden zich in een fascinatie voor evolutie. De keuze om biologie te gaan studeren lag dan ook al gauw onwrikbaar vast. ‘Mijn christelijke ouders waren daar een beetje bezorgd over en gaven mij het boekje Vraag het de aarde eens … : heimwee naar een verloren gegane natuur van Willem J. Ouweneel, het Christelijk Boekenweekgeschenk van 1977. Hij neemt de bijbel letterlijk en zag bijvoorbeeld dinosauriërs als manifestatie van het beest Behemoth uit het Bijbelboek Job. Een en al onzin, liet ik mijn ouders weten. En hoewel zij liever hadden gezien dat ik naar de Vrije Universiteit ging, werd het Groningen. Uiteindelijk vonden ze het prima.
Vrijgevochten
‘In Groningen raadde Bert Boekschoten, hoogleraar paleontologie bij wie ik afstudeerde, mij aan om te gaan schrijven. Dat had ik altijd al gedaan: in het schoolblad van de lagere school en van de middelbare school en in het faculteitsblad in Groningen. Onderzoek doen wilde ik niet, want dan concentreer je je op één ding en dat vind ik niet interessant. Via Boekschoten, die overstapte naar de Vrije Universiteit, kwam ik daar alsnog terecht voor mijn vervangende dienstplicht, eerst als journalist bij universiteitskrant Ad Valvas, later als wetenschapsvoorlichter. Dat was ik daarna ook tien jaar in Wageningen en daar lukte het me gelukkig om weer terug te keren naar de journalistiek. Ik heb zes jaar gewerkt bij het Wageningse universiteitsblad Resource, tot de hele redactie werd ontslagen. We waren te vrijgevochten, daar kwam het op neer.’
En precies in de week van het ontslag belde NIBI-directeur Leen van den Oever, die een hoofdredacteur zocht voor Bionieuws. Van Maanen kende het blad goed en de redactie kende hem omdat hij al jaren in de redactieadviesraad zat. De zaak was snel beklonken en hij ging aan de slag. ‘In overleg met de collega’s zorgde ik dat Bionieuws een duidelijk stramien kreeg, met nieuws voorin, in elk nummer een interview, een onderwijspagina en de soortgenoten-rubriek op vaste plaatsen. Om er wat meer luchtigheid in te brengen voerden we de rubrieken Terzijde en Ad hoc in. De eerste klus was mooi: een evolutie-special maken vlak voor het Darwinjaar 2009.’
Vrijgevestigd oöloog
Evolutie kwam natuurlijk vaak terug in het biologenblad. Van Maanen haalt een print tevoorschijn van een stuk dat hij tien jaar geleden rond Pasen schreef over de evolutie van het ei. ‘Een hobby van me, ik noem me graag vrijgevestigd oöloog. Het ei is zo interessant, qua evolutie, vorm en functie. Een supermooie verpakking en overlevingspakket van een nieuwe generatie.’
Laat hij Bionieuws met een gerust hart achter nu hij met pensioen gaat? ‘Zeker, er zit een goede redactie. En ik hoop dat nieuws brengen een hoofdtaak zal blijven. Misschien dat ze me wel gaan missen als levend archief: ik durf te stellen dat ik het sterkste geheugen van de redactie had.’ En zelf? ‘Ik kan me niet voorstellen dat ik nooit meer iets schrijf. Maar we gaan het zien. Ik blijf nieuwsgierig en heb genoeg liefhebberijen.’
