
Een loopbaan lang zocht microbioloog Mike Jetten naar microben die bijna niemand voor mogelijk hield. Bij zijn afscheid van de Radboud Universiteit waarschuwt hij dat zulke wetenschap tijd vraagt: voor bioreactoren én voor jonge onderzoekers.
‘We zijn geen koekjesfabriek’, zegt Mike Jetten over de manier waarop universiteiten volgens hem steeds meer worden bestuurd. Na ruim 25 jaar hoogleraarschap ecologische microbiologie aan de Radboud Universiteit neemt hij opvallend opgelucht afscheid van een deel van de academie: niet van de moddermonsters, niet van de bioreactoren en zeker niet van de promovendi, maar van de formulieren, declaraties en controles. ‘Met de meeste blijdschap heb ik afscheid genomen van de administratieve last’, zegt hij. ‘Universiteiten worden inmiddels bestuurd als fabrieken. Dat doet pijn.’
Dat wringt des te meer omdat Jettens eigen onderzoek juist draait om geduld: micro-organismen die langzaam groeien, niet tegen zuurstof kunnen en soms pas na jaren prijsgeven hoe ze hun energiehuishouding regelen. Zijn bekendste voorbeeld is anammox: anaerobe ammoniumoxidatie, waarbij bacteriën zonder zuurstof ammonium en nitriet omzetten in stikstofgas. Ooit gold dat als een onmogelijke reactie. Inmiddels is het schoolboekstof en draaien wereldwijd honderden anammoxinstallaties in de afvalwaterzuivering.
Zo’n verhaal begint voor Jetten niet bij de toepassing, maar bij een berekening en een schep modder. ‘Wij zoeken niet lukraak naar deze microben’, zegt hij. ‘Je begint met de vraag of een reactie überhaupt genoeg energie bevat. Op basis van de thermodynamica kun je berekenen of dat inderdaad het geval is. Zo ja, dan kunnen er in principe micro-organismen op groeien en moeten ze dus ook bestaan.’
Oxideren
Zo redeneerde Jetten destijds ook bij methaan. Van methaan was al lang bekend dat microben het met zuurstof kunnen oxideren. Maar ook zonder zuurstof kunnen microben methaan als energiebron gebruiken, mits ze de elektronen aan een andere acceptor kwijt kunnen. ‘Methaan is gewoon een energierijke verbinding’, zegt hij. ‘Dan ligt het voor de hand dat daar organismen voor moeten zijn.’
De vraag is vervolgens waar zo’n organisme leeft. Daarvoor had Jetten in Nijmegen ecologen om mee te sparren. ‘Ik vroeg collega’s waar ecosystemen zijn met veel nitraat in het water en methaan in het sediment. Zij wezen op het Twentekanaal.’ Uit die modder kwamen later methaanoxiderende microben tevoorschijn die onder anaerobe omstandigheden reacties uitvoeren waar microbiologen lang naar zochten.

Maar iets vinden is pas het begin. Daarna moet zo’n microbe in de bioreactor jarenlang worden vertroeteld. ‘Ze kunnen niet tegen zuurstof en niet tegen te veel nitriet’, zegt Jetten. ‘Je moet zo’n bioreactor goed monitoren, elke dag kijken, ook in het weekend, of er niets stuk is of een toxische verbinding ophoopt. Daar moet je toewijding voor hebben.’ Gaat het mis, dan begint het opkweken soms opnieuw. ‘In het ergste geval moet je weer naar het Twentekanaal.’
Dat maakt zulke trajecten kwetsbaar voor de korte adem van projectfinanciering. ‘Dit doe je niet met één NWO-projectje. Je hebt een team nodig, langdurige financiering en mensen die elkaar helpen, zodat één en één meer is dan twee.’ Vanaf 2007 had zijn groep vrijwel continu geld uit grote Europese en nationale programma’s, wat ruimte gaf voor verder onderzoek.
Die lange adem geldt volgens Jetten niet alleen voor microben, maar ook voor mensen. Hij begeleidde 77 promovendi; vier zijn nog bezig met de afronding. ‘Iets ontdekken waarvan anderen zeggen dat het niet kan, geeft veel voldoening, maar het opleiden en begeleiden van jonge mensen geeft energie.’
Tegelijk baart die generatie hem zorgen. Jonge wetenschappers krijgen volgens Jetten meer op hun bord dan vroeger. Niet alleen door concurrentie om geld en banen, ook doordat data en administratie uitdijen. ‘Toen ik in Nijmegen begon, waren promovendi misschien vier dagen in het lab en één dag aan het uitwerken. Nu is het eerder twee dagen experimenteren en drie dagen uitwerken. Datasets worden nooit meer kleiner.’ Die groeiende werkdruk schuift volgens hem te makkelijk door naar de avonduren. ‘Als wetenschap alleen nog ’s avonds in vrije tijd kan, dan is het verkeerd. Als je ervoor kiest, prima. Maar niet als het moet.’
Verantwoordelijkheid
In Lund, waar Jetten sinds februari gastprofessor is, doet hij naar eigen zeggen alleen de leuke dingen van het werk. Hij begeleidt jonge onderzoekers, helpt bij beursaanvragen en traint hen voor interviews. ‘Ik wil daar zelf geen promovendi hebben, want dan heb je vier jaar verantwoordelijkheid. Maar ik kan wel helpen met het proces: hoe vind je de weg in de academie, hoe verdedig je een voorstel?’
‘Ik kan wel helpen met het proces: hoe vind je de weg in de academie, hoe verdedig je een voorstel?’
Een grote vraag geeft hij nog mee aan de volgende generatie: welke micro-organismen verwijderen ammonium in diepere zeebodems, en hoe doen ze dat? In een ERC Synergy-project met biogeochemicus Caroline Slomp komt die vraag aan bod, maar juist ammonium blijkt weerbarstig. Lagere temperaturen, lagere concentraties en andere processen maken het lastig om de verantwoordelijke microben aan te wijzen. ‘Mijn gut feeling zegt dat het langer gaat duren. If ever.
‘Ik hoop dat we genoeg zaadjes geplant hebben, zodat anderen de zoektocht naar ‘onmogelijke’ microben voortzetten’, zegt Jetten. ‘Wetenschap is een estafette. Je geeft het stokje door aan een generatie met slimmere methoden, geavanceerdere apparatuur en meer kennis. Onderzoek zoals wij dat doen duurt jaren. Je moet mensen de tijd geven om zich te ontwikkelen.’

