Door Gert van Maanen - 16-11-2019 - Genetica

Analyses pleiten peetvader van genetica vrij van gesjoemel.
'Er is eigenlijk niets verdachts aan de gegevens en experimenten waarop Mendel zijn uitsplitsingsregels baseerde. Uit zowel historische bronnen als nieuwe statistische analyses blijkt dat er geen sprake is van ongepast toewerken naar resultaat of gesjoemel’, zegt plantengeneticus Peter van Dijk van het Wageningse bedrijf KeyGene. Hij is laatste auteur van een open access-artikel in Hereditas (31 oktober online) waarin hij samen met Britse collega’s de hardnekkig rondzingende kritiek op Mendels experimenten aan overerving weerlegt.
Beschuldigingen
De oorspronkelijke beschuldiging dat de resultaten van Mendels experimenten van ruim 150 jaar geleden te mooi waren om waar te zijn, stammen van de beroemde Britse statisticus Sir Ronald Fisher. Hij constateerde in 1936 onder meer dat de resultaten minder variatie vertonen dan hij zou verwachten. ‘Fisher was een grote bewonderaar van Mendel, dus veronderstelde hij dat een overijverige assistent naar de verwachte resultaten had toegewerkt. Toch krijgen veel biologen het verhaal mee dat er een fishy smell rond Mendel hangt. Als er een keer met modder is gegooid, blijft zoiets toch plakken. Dat is onterecht’, aldus Van Dijk.
Onder leiding van de Britse plantengeneticus en peulvruchtenexpert Noel Ellis van het John Innes Centre in Norwich zijn nieuwe statistische analyses gedaan aan de zeven eigenschappen die Mendel scoorde in zijn kruisingen met erwten. Die staan daarmee aan de basis van de beroemde splitsingswet, waarbij een overerving met een dominant en recessief allel in de eerste uniforme maar heterozygote generatie (F1) leidt tot nakomelingen (F2) met twee fenotypes in de vaste verhouding 3:1. De door Fisher geconstateerde ‘te mooie’ uitkomsten in zulke kruisingsproeven zijn volgens de nieuwe analyses onder meer gebaseerd op de foute veronderstelling van een ideale uitgangspopulatie. ‘Fisher ging uit van theoretische allelfrequenties, Mendel werkte met de biologische realiteit’, aldus Van Dijk. ‘We moesten wel slikken toen dat bij ons doordrong, want Fisher is immers een grootheid in de statistiek.’
Presenteerblaadje
De publicatie neemt ook de twijfels weg of Mendel wel kon beschikken over zuivere lijnen van erwten met geschikte eigenschappen aan bloem-, zaad- en peulkleuren en –vormen. Van Dijk vond zaadcatalogi waaruit blijkt dat dit uitgangsmateriaal destijds gewoon in de handel was en dus beschikbaar voor kruisingsexperimenten. De niet bij dit onderzoek betrokken Wageningse plantenveredelaar Herman van Eck noemt die vondst een leuk detail. ‘Mendel kreeg alle kenmerken op een presenteerblaadje aangereikt en heeft dus geen gekke kenmerken verzonnen, maar handig van het aanbod in de catalogi gebruikgemaakt’, constateert Van Eck. ‘Op het eerste gezicht denk ik dat de onderzoekers de kritiek van Fisher en de echte data goed bekeken hebben. Ik wil dus best aannemen dat daarmee Mendel nu gerehabiliteerd is.’