Een slankpootvlieg van het eiland Waigeu van Nieuw-Guinea die entomoloog Johannes de Meyere de naam Psilopus obscuripennis gaf. Foto: Naturalis Bioportal



Grasduinen langs 42 miljoen objecten in de collecties van het Rijksmuseum van Natuurlijke Historie – Naturalis, 1820 – 2020

 

AFLEVERING 18: VLIEGEN EN MUGGEN

COLLECTIE: Diptera
AANTAL EXEMPLAREN: circa 1,5 miljoen
TOPSTUK: de vleugelloze vleermuisvlieg (Penicillidia dufouri)
AANTAL HOLOTYPES: drie tot vierduizend
BEHEERDER: Pasquale Ciliberti

 

 

‘Zonder microscoop ben je nergens. Knutten en dans- en galmuggen zijn zo klein dat je ze met het blote oog nauwelijks kan zien. Diptera zijn vaak kleine, maar economisch heel belangrijke insecten. Ook malaria- en tijgermuggen zitten in onze verzameling’, zegt collectiebeheerder en entomoloog Pasquale Ciliberti. Hij beheert de diptera of tweevleugeligen, met wereldwijd zo’n 150 duizend beschreven soorten een van de succesvolste insectenorde. ‘Die soorten hebben we niet allemaal. Onze collectie is gemiddeld van grootte, maar heel waardevol. Van over de hele wereld komen experts naar Leiden voor de verzamelingen langpootmuggen en zweefvliegen, die bijeen zijn gebracht door entomologen als Herman de Jong, Pjotr Oosterbroek en Johannes de Meyere en een groep fanatieke liefhebbers’, aldus Ciliberti.

Klein maar best belangrijk: de malariamug Anopheles maculipennis, een vrij sterke muggensoort die het prima doet in de lage landen. Deze mug zorgde in 1826 nog voor de uitbraak van de 'Groninger ziekte', een vorm van malaria die toen 10 procent van de inwoners van de stad Groningen (2.000 mensen) het leven kostte. Foto: Naturalis Topstukken.

 



Bijbel
‘Het groter maken van de collectie is niet mijn eerste prioriteit, maar juist het beter toegankelijk maken. Ik ben nu bijvoorbeeld bezig een grote geschonken privéverzameling in te voegen en zo te ontsluiten.’ Op zijn werktafel in het depot op de 8ste verdieping van de collectietoren ligt de gids De Europese families van muggen en vliegen . ‘Dat is mijn Bijbel’, glimlacht Ciliberti. Het grootste deel van de insecten zit keurig droog opgeborgen in ladenkasten. Hij toont een lade met opgeprikte centimeters grote reuzenvliegen (Mydidae) en een andere met piepkleine knutten (Ceratopogonidae).

De geeloranje stekelsluipvlieg (Tachinia grossa) legt eitjes in de harige rupsen van grote nachtvlinders. Foto: Naturalis


‘In totaal zesduizend lades en in iedere lade zo’n tweehonderd beesten. En dan hebben we ook nog de nodige exemplaren op prepareerglazen en op alcohol.’ In de alcoholverzameling zitten vooral muggen in kleine buisjes, samengebracht in een grotere afsluitbare pot. ‘Alcohol op alcohol, dus dubbel beveiligd tegen uitdroging’, constateert Ciliberti. ‘Op prepareerglazen zijn de geslachtsdelen van de mannetjes er vaak uitgehaald, want voor soortdeterminatie heb je vooral penissen van muggen en vliegen nodig. Vrouwtjes zijn lastiger op soortnaam te brengen, maar voor sommige groepen is dat wel belangrijk. Het zijn juist vaak vrouwtjes die steken en via bloedmaaltijden ziektes overbrengen.’

 

De vleugeloze, parasitaire vleermuisvliegPenicillidia dufouri. Foto: Naturalis

 

Een van Ciliberti’s favoriete tweevleugeligen is de vleermuisvlieg, die juist geen vleugels meer bezit. ‘Ze zijn piepklein en lijken meer op een spin. Ze brengen hun hele leven als parasiet door op vleermuizen en hebben dus zelf geen vleugels meer. Het laat mooi zien hoe dieren zich door evolutie aanpassen aan een nieuwe levenswijze, als bloedzuiger op vleermuizen.’