‘Bossen beschermen is nuttig, maar we moeten ook inzetten op natuurlijk bosherstel en -aanplant. We kunnen ons niet veroorloven maar op één paard te wedden’, meent de Wageningse bosecoloog Lourens Poorter.

 

‘Een bos heeft een baas nodig, zei een van mijn docenten altijd. Ook tijdens mijn veldwerk in Bolivia zag ik dat in zogenaamde ongeschonden bossen de biodiversiteit sterk onder druk stond vanwege de jacht, terwijl in een grote houtkapconcessie juist overal poema’s en jaguars rondliepen. Dat komt omdat men daar bij de in- en uitgang bewakers neerzet om ongewenste jacht te voorkomen. Bossen zonder eigenaar zijn kwetsbaarder om ten prooi te vallen aan roofbouw’, zegt de Wageningse bosecoloog Lourens Poorter (1967), hoogleraar functionele ecologie van tropische bossen. Hij geldt als een expert van secundaire tropische bossen die hergroeien na gebruik voor landbouw of veeteelt, en kreeg afgelopen jaar een ERC advanced grant van 2,5 miljoen euro om successie en biodiversiteitsherstel in zulke bossen te volgen op drie continenten.

 

Datacrunchers
Dit Pantrop-project bouwt voort op Poorters ervaringen als een van de coördinatoren van het 2ndFOR-netwerk (www.2ndfor.org), dat ontwikkeling van biodiversiteit op ruim 75 locaties en meer dan tweeduizend proefpercelen in jonge laaglandbossen in Midden- en Zuid-Amerika analyseert. ‘Met dat netwerk doorbraken we het spanningsveld dat traditioneel bestaat tussen veldecologen en datacrunchers. De ecologen werken zich de pleuris om allerlei gegevens bij te houden van lokale bossen, terwijl datacrunchers eigenlijk alleen maar los willen gaan op zulke data om er patronen uit af te leiden’, vertelt de nu thuiswerkende Poorter via Zoom. ‘Ik ben zelf als ecoloog begonnen met onderzoek aan secundaire bossen in Bolivia en heb ook veel fundamenteel onderzoek gedaan aan plantkenmerken, bossamenstelling, successie en functionele aanpassingen. Daaruit groeide vanzelf de behoefte om daar ook grotere verbanden uit af te leiden’. Deze ontwikkeling weerspiegelt zich in zijn indrukwekkende publicatielijst, met aanvankelijke vooral artikelen in specialistische tijdschriften als Ecology, New Phytologist en Journal of Ecology en nu publicaties – vaak met veel co-auteurs – in algemenere tijdschriften als Nature, Science, PNAS of Global Change Biology.

 

De Wageningse bosecoloog Lourens Poorter werkt graag in netwerken: ‘Zo doorbraken we het spanningsveld tussen veldecologen en datacrunchers.’

 

Co-auteurs
‘In ons netwerk mogen partners zelf beslissen welke co-auteurs ze opvoeren. Daarin bestaan grote cultuurverschillen en dan past het niet om onze NWO-regeltjes aan te houden. Dat werkt goed, want mensen voelen zich gekend, maar het redigeren met zestig co-auteurs vergt wel veel inspanning. We hebben meerdere Skype-bijeenkomsten met verschillende groepen van vijftien mensen. Dat werkt echter ook als een extra brainstorm, omdat al die mensen kennis van hun lokale systeem meenemen. Uiteindelijk leveren de data nog steeds een puntenwolk met een mooie lijn er doorheen. Toch heeft het meerwaarde als je kan melden dat het voor systemen met specifieke bodem- of klimaatomstandigheden niet lijkt op te gaan. Je kunt natuurlijk niet alle commentaar meenemen.’


Exoot
‘We werken voor ons ERC-project nu in drie landen – Australië, Ghana en Mexico – om de veerkracht van bossen na door de mens veroorzaakte verstoringen beter te kunnen begrijpen en voorspellen’, legt Poorter uit. ‘Natuurlijk zijn er op die continenten verschillen in biogeografie, klimaat, landschap en biodiversiteit die van invloed zijn op processen van bosherstel. In Ghana zijn er bijvoorbeeld goede ervaringen met aanplant van de boomsoort Cedrela odorata in de bufferzones rond bosreservaten om bosbranden vanaf de savanne tegen te houden. Die levert ook prachtig cederhout en groeit als een tierelier omdat ze als exoot afkomstig zijn uit de Neotropen. In Australië kijkt men heel anders aan tegen exoten en invasieve soorten: dat is eigenlijk een supereiland met rond Queensland nog relicten van de flora van het oercontinent Godwana. Daar richt men zich bij bosherstel en herbebossing heel bewust alleen op inheemse soorten’, aldus Poorter.

 

‘Rond 20 procent bosbedekking zit een kantelpunt’

 

Diversiteit
‘In ons project bestuderen we onder meer de effecten van diversiteit op het functioneren van ecosystemen, door in veldexperimenten zich ontwikkelende bossen selectief te dunnen. Door de vijf meest productieve soorten weg te halen, of juist de vijf meest zeldzame soorten. Ook proberen we de herstelprocessen te analyseren aan de hand van gradiënten in bosbedekking. In eerdere experimenten vonden we dat er rond 20 procent bosbedekking een kantelpunt zit. Daarboven is het systeem in staat tot natuurlijke verjonging, wat een stuk goedkoper is en een hogere biodiversiteit heeft, maar daaronder niet meer en dan komt aanplanten in beeld.’

 

Sexy
Secundaire bossen wekken onder biologen minder sympathie dan ‘primaire’ oerwouden, maar Poorter wijst erop dat ze ongeveer de helft uitmaken van het totale bosoppervlak en relatief veel koolstof opslaan. ‘Door de klimaatproblematiek, biodiversiteitscrisis en bosbranden zijn bossen weer een heel sexy onderwerp’, constateert hij tevreden. ‘Bossen beschermen is nuttig, maar we moeten ook inzetten op natuurlijk bosherstel en -aanplant. We kunnen ons niet veroorloven maar op één paard te wedden’. De positieve rol die bossen spelen in de waterhuishouding kan volgens hem politiek nog wel eens meer gewicht in de schaal leggen dan koolstofvastlegging, omdat ontbossing op één plek leidt tot verminderde regenval honderden kilometers verderop. ‘Klimaat is een ver-van-mijn-bed-show, maar inwoners van grote steden als São Paulo, Santa Cruz en Sydney pikken het niet langer als er door ontbossing minder regenval is, en hun politici droogte en bosbranden negeren en ze niet meer hun auto kunnen wassen of kunnen douchen’, constateert Poorter. ‘En de huidige coronacrisis laat zien dat er heel veel mogelijk is om ons gedrag en de samenleving te veranderen als we het écht willen.’