De Nederlandse biologie kan belangrijke bijdragen leveren aan talrijke maatschappelijke uitdagingen, schetst een nieuw sectorbeeld.

 

‘We hebben ons als biologen in het verleden vaak uit elkaar laten spelen. Laten we nu de rijen sluiten en eensgezind de toekomst tegemoet treden. Want juist samen kunnen we als biologen een grote bijdrage leveren aan vrijwel alle uitdagingen op het gebied van gezondheid, voeding, biodiversiteit, leefwereld en klimaat’, zegt de Utrechtse faculteitshoogleraar ecofysiologie van planten Rens Voesenek, voorzitter van de taskforce biologie die maandag 9 november het nieuwe sectorbeeld Fundament voor het leven presenteerde. Dit breed gedragen beeld van de Nederlandse biologie is in samenspraak ontwikkeld met de sectoren aard- en milieuwetenschappen, astronomie en farmaceutische wetenschappen.

Het 'ecosysteem van de Nederlandse biologie'. De discipline biologie kenmerkt zich door diffuse randen en sterke samenwerking. De figuur toont in de binnenste cirkel de universitaire instellingen die dit sectorbeeld schreven, samen met de nationale biologie-instituten (tweede cirkel). In de derde cirkel staan de instellingen waar ook biologisch onderzoek plaatsvindt. Figuur: Sectorbeeld Biologie, 2020

 


Eenheid
De vier sectorbeelden worden als eenheid aangeboden aan het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, als eerste opstap naar nieuwe structurele investeringen. ‘Daarvoor bestaan geen garanties, maar we hebben wel overtuigende argumenten dat extra investeringen nodig zijn’, meent Voesenek. ‘In een ideaal scenario gaat het om een extra permanente deken bovenop de bestaande financiering, van bijvoorbeeld 15 miljoen per jaar. Vergelijkbare budgetten zijn eerder beschikbaar gesteld voor informatica, natuur-, schei- en wiskunde en techniek, die vooral kampten met te weinig studenten. Daar is bij biologie geen sprake van, maar er zijn andere redenen om te investeren. Als de minister dat erkent, zal zij ons vragen sectorplannen op te stellen. Dat speelt naar verwachting pas na de verkiezingen en het lijkt logisch dat het voor alle vier sectoren geldt. Je zet toch niet slechts voor twee van je vier kinderen eten op tafel.’

Field-Weighted Citation Impact (FWCI) van de Nederlandse biologie. FCWI-waardes van de boven de 1 liggen boven het wereldgemiddelde en de grote van de bollen geeft het aantal fte wetenschappelijk personeel in vast dienstverband per deelgebied aan. Figuur: Sectorbeeld Biologie, 2020

 

 

De argumenten voor extra structurele investeringen in de biologie liggen volgens Voesenek voor het oprapen. ‘Als we iets meer geïnvesteerd hadden in fundamenteel onderzoek aan coronavirussen, hadden we de coronacrisis met 70 procent van de kennis kunnen bestrijden in plaats van de 50 procent die premier Rutte noemde’, stelt Voesenek. ‘Het geldt ook breder, want dankzij de snelle ontwikkelingen in technologieën rond genomics, cell-imaging, data-analyse en Crispr-Cas vormt de biologie het kloppend hart van de bètawetenschappen.’

Het verloop van de student/staf-ratio per Hoger Onderwijs en OnderzoeksPlan (HOOP)-gebied laat duidelijk de groei zien in de voor biologie relevante HOOP-gebieden Landbouw en Natuur. Bron: 1HO en HOPI, figuur uit Sectorbeeld Biologie, 2020

 

Wereldtop
Het nieuwe sectorbeeld signaleert dat het Nederlandse biologisch onderzoek tot de wereldtop behoort, met uitschieters voor cel- en ontwikkelingsbiologie, ecologie en evolutiebiologie en plantenbiologie. Opmerkelijk genoeg blijven systeembiologie, bioinformatica en theoretische biologie wat achter, terwijl deze juist nu erg belangrijk zijn. ‘Opvallend is ook de hoge student/staf-ratio, die ligt voor landelijke biologie op bijna 35, terwijl het universitaire gemiddelde in Nederland op 19 ligt’, constateert Voesenek. Er zijn daarom ook in het academische onderwijs investeringen nodig in onder meer data-analyse, bioinformatica, kunstmatige intelligentie en veld- en soortenkennis. Voesenek: ‘Versnelling en versterking van biologische kennis is geen luxe, maar gewoon een voorwaarde om meer welvaart, welzijn en duurzaamheid te bereiken.’

 

Tijdens de opleiding, in het promotietraject en bij postdocs is de genderverdeling in de biologie nog in balans. Maar in het traject universitair docent, hoofddocent en hoogleraar is nog sprake van scheefgroei en blijft nog veel talent voor de biologie ongebruikt. Figuur uit Sectorbeeld Biologie, 2020.